afdeling strafrecht parketnummer: 23-004177-17 datum uitspraak: 3 april 2019 TEGENSPRAAK (bepaaldelijk gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-159068-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde verbeterd leest, inhoudende dat in het onder 1 bewezen verklaarde in plaats van “61,58 liter” wordt gelezen “€76,91”. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van kentekenplaten en meerdere keren aan diefstal van brandstof. De verdachte heeft blijk gegeven geen respect te hebben gehad voor het eigendomsrecht van de gedupeerde tankstations. Diefstal is een ergerlijk feit waarbij, naast eventuele schade, in de regel veel hinder en overlast wordt veroorzaakt. In het rapport van de reclassering van 12 oktober 2018 staat dat de verdachte lijdt aan zowel lichamelijke als psychische klachten. De verdachte overziet - aldus het rapport - onvoldoende de consequenties van zijn handelen en kan zijn problemen niet goed zelfstandig oplossen. Positief te vermelden is dat de verdachte tijdelijke woonruimte heeft en meewerkt aan een schuldsaneringstraject. Ook wordt de verdachte gesteund door zijn zus. De reclassering benadrukt het belang van het vergroten van het sociale netwerk van de verdachte en het hebben van perspectief in zijn leven. In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte na het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde geen nieuwe strafbare feiten meer heeft gepleegd. Vanwege de ontbrekende financiële draagkracht van de verdachte acht het hof het niet opportuun een geldboete op te leggen. Gelet op de psychische en lichamelijke klachten van de verdachte en de positieve ontwikkelingen in zijn leven, acht het hof een gevangenisstraf evenmin opportuun. Voorts acht het hof het - mede gelet op de ter terechtzitting door de raadsman van de verdachte voorgehouden persoonlijke omstandigheden van de verdachte - niet passend en geboden een geheel onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. Die omstandigheden brengen echter niet mee dat voor het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf geen plaats is, temeer niet nu blijkens het rapport de reclassering zorg zal kunnen dragen voor een passende taakstraf die voor de verdachte uitvoerbaar is. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, te vervangen door 20 dagen hechtenis, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 april 2019. mr. M.R. Cox is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.