← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:1402

afdeling strafrecht parketnummer: 23-004193-17 datum uitspraak: 23 april 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-080264-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1], in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat het hof het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer tegen de vorderingen van de benadeelde partijen zal bespreken. Bespreking van verweren ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen De raadsman heeft, naar de kern weergegeven, gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] kunnen worden toegewezen voor zover de vorderingen zien op de ingeslagen autoruit. Bij de overige posten is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van rechtstreeks verband tussen de schade en de strafbare feiten. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het hof is van oordeel dat de gehele vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] - gelet op de aangifte van 16 april 2016 met de daarbij gevoegd foto’s van de schade en de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting van het hof - genoegzaam is onderbouwd en dat derhalve ook de schade aan de kofferbak, het portier en de centrale vergrendeling van de auto is ontstaan door het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De gehele vordering ligt voor toewijzing gereed. Het hof verwerpt daarmee het gevoerde verweer. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] is het hof van oordeel dat de vordering voor toewijzing gereed ligt, voor zover de vordering ziet op de schade ontstaan door het inslaan van de autoruit. Deze schade is erkend door de verdachte en bedraagt € 276,

  1. Voor het overige is het rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en doet in zoverre opnieuw recht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 276,00 (tweehonderdzesenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 276,00 (tweehonderdzesenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 april
  2. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april
  3. Mr. A.M.P. Geelhoed is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.