GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.243.762/01 KG zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6978053 KK EXPL 18-511 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2019 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. D.A.H. Segbert te Amsterdam, tegen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , beiden wonend te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. H.J.J. Hendrikse te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd. Indien [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gezamenlijk worden bedoeld zullen zij worden aangeduid als [geïntimeerden] [appellante] is bij dagvaarding van 1 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2018, onder bovengenoemd zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden, hierna het vonnis. De appeldagvaarding bevat de grieven en producties waaronder de processtukken van de procedure in eerste aanleg. Op de dienende dag heeft [appellante] van grieven gediend overeenkomstig de appeldagvaarding. [geïntimeerden] hebben daarna de memorie van antwoord ingediend. [appellante] heeft bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep een akte wijziging van eis genomen. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen de woonboot ‘ [naam woonboot] ’ [adres] te ontruimen en ontruimd te houden en die geheel leeg en vrij van huur en gebruiksrechten en in goede staat op te leveren onder afgifte van alle sleutels, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest en tot betaling van de kosten van ontruiming indien zij niet aan de veroordeling tot ontruiming zullen voldoen en dat het hof [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van minimaal € 3.500,- tot maximaal € 4.250,- per maand tot het moment waarop zij de woonboot zullen verlaten en [geïntimeerden] zullen veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten. [geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [appellante] met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Partijen hebben nog stukken in het geding gebracht en de zaak ter zitting van 14 februari 2019 doen bepleiten, [appellante] door mr. Segbert en [geïntimeerden] door mr. Hendrikse, beide advocaten aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De kantonrechter heeft in het vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende. 2.1 [appellante] is eigenaar van de woonboot ‘ [naam woonboot] ’ [adres] (hierna ‘de woonboot’). De woonboot is met trossen aan de kade verbonden en is met een aan de kade bevestigde trap bereikbaar. Op de kade bevindt zich geen voor de woonboot bestemde afgebakende ruimte. Tussen de kade en de woonboot bevinden zich afkoppelbare aansluitingen voor energie, water en riool. 2.2 [appellante] is eigenaar van onder meer nog vier woonboten in Amsterdam en een hotel (hierna ‘het hotel’). Het hotel bevindt zich in de nabijheid van de woonboot. [geïntimeerde sub 1] was voor [appellante] in het hotel werkzaam en verzorgde onder meer de verhuur van de woonboten voor short stay. Toen de woonboot in 2012 vrij kwam, hebben [geïntimeerden] en [appellante] een mondelinge afspraak gemaakt. Die afspraak hield in dat [geïntimeerden] de woonboot van [appellante] huurden, een gedeelte van 60 m² daarvan bewoonden en een gedeelte van 40 m² beschikbaar was voor bed & breakfast (hierna ‘B&B’). 2.3 Over de huurprijs spraken partijen af dat die per maand kan verschillen en afhankelijk is van de opbrengst per maand van de B&B: indien de B&B-opbrengst minder is dan € 3.500,- betalen [geïntimeerden] het verschil tussen de opbrengst en € 3.500,- aan [appellante] en indien de B&B-opbrengst meer is dan € 4.250,- dan betaalt [appellante] het verschil tussen de opbrengst en € 4.250,- aan [geïntimeerden] . Telkenjare was de B&B-opbrengst hoger dan € 3.500,- met als gevolg dat op [geïntimeerden] geen betalingsverplichtingen jegens [appellante] rustten ter zake van de huur. 2.4 Begin 2018 wensten partijen de huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Vooruitlopend op het opstellen van een huurovereenkomst heeft [geïntimeerde sub 1] per e-mail van 23 februari 2018 aan (onder anderen) [appellante] geschreven: “Hierbij bevestig ik onze afspraak omtrent de huur van de [naam woonboot] . Wij huren de boot en gebruiken een gedeelte als B&B. Hierdoor verschilt de huur per maand en is tussen de 3500 en 4250 euro inclusief. 3500 is het minimum en als de opbrengsten van de B&B in een maand hoger zijn dan 3500 betalen wij tot 4250 euro. Graag akkoord met het opstellen van een huurcontract. Het contract mag op naam van [geïntimeerde sub 2] en mijzelf, wij hebben 1 maand opzegtermijn en [appellante] 6 maanden opzegtermijn.” 2.5 [appellante] heeft bij brief van 3 mei 2018 van mr. J. Groen aan [geïntimeerde sub 1] de huurovereenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden met ingang van 3 november 2018 en [geïntimeerde sub 1] verzocht de opzegging te bevestigen en met de heer [X] een afspraak te maken voor de inspectie van de woonboot. Per e-mail van 23 mei 2018 van mr. Groen heeft [appellante] aan [geïntimeerde sub 1] een laatste kans gegeven de opzegging te bevestigen en hem bij gebreke daarvan het instellen van een ontruimingsvordering in kort geding in het vooruitzicht gesteld. Bij e-mailbericht van 24 mei aan mr. Groen heeft [geïntimeerde sub 1] mr. Groen onder meer verzocht om opgave van de reden van opzegging en om [appellante] te adviseren van opzegging af te zien. 2.6 Bij brief van 6 juni 2018 van mr. D.H.H. Segbert heeft [appellante] aan [geïntimeerde sub 1] geschreven: “(…) Omdat geen sprake is van een gebouwde onroerende zaak, is ook geen sprake van een mogelijkheid zich daartegen te verzetten, zoals u lijkt te veronderstellen in uw bericht van 24 mei jl. Voor wat het juridisch waard is, is de reden voor opzegging dat cliënte zelf weer (vrijelijk) wenst te beschikken over de boot. Bovendien is cliënte van mening dat u zich niet gedraagt als goed huurder, onder andere omdat (…). Daar komt bij dat de gemeente Amsterdam haar regels omtrent B&B steeds strenger maakt. (...) Cliënte wil niet dat de boot wordt gebruikt in strijd met de wensen en regels van de gemeente Amsterdam”. 3Beoordeling 3.1 [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerden] zal veroordelen de woonboot uiterlijk op 3 november 2018 te ontruimen, te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [appellante] te stellen, aan [appellante] een gebruikersvergoeding te voldoen van minimaal € 3.500,- en maximaal € 4.250,- per maand tot de dag waarop [geïntimeerden] de woonboot zullen hebben verlaten en hen zal veroordelen in de eventueel te maken ontruimingskosten en in de proceskosten. Aan deze vorderingen heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij de huurovereenkomst geldig en - voorzover nodig - met redenen heeft opgezegd met toepassing van de overeengekomen opzegtermijn en een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming van de woonboot door [geïntimeerden] 3.2 [geïntimeerden] hebben de vorderingen van [appellante] en hetgeen zij daaraan ten grondslag heeft gelegd betwist. Zij hebben gesteld dat [appellante] geen spoedeisend belang bij de ontruiming heeft, de zaak zich vanwege onduidelijkheid over de gemengde aard van de overeenkomst niet leent voor behandeling in kort geding en dat de door [appellante] aangevoerde gronden voor de opzegging niet juist zijn. 3.3 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] Zij heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat vooralsnog niet geoordeeld kan worden dat [geïntimeerden] geen aanspraak konden maken op huurbescherming omdat niet voldoende duidelijk is hoe de tussen partijen bestaande overeenkomst gekwalificeerd moet worden en evenmin zonder meer kan worden aangenomen dat de woonboot verplaatsbaar is en niet is aan te merken als een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:233 BW. De kantonrechter achtte wel een spoedeisend belang van [appellante] aanwezig. 3.4 Tegen het vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op. Met grief I bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat niet zonder meer aangenomen kan worden dat de woonboot verplaatsbaar is. In grief II wordt betoogd dat de woonboot een roerende zaak is. Grief III is gericht tegen het oordeel dat het voor de vraag of het voor woonruimte geldende regime van huurbescherming van toepassing is, van belang is hoe de gemengde overeenkomst gekwalificeerd moet worden. In grief IV klaagt [appellante] erover dat de kantonrechter een oordeel heeft gegeven over de opzeggronden en in dat kader heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [geïntimeerden] hun verplichtingen jegens [appellante] op een zodanige wijze hebben geschonden dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Grief V bevat de – op de grieven I tot en met IV gegronde - conclusie van [appellante] dat de kantonrechter haar vorderingen ten onrechte heeft afgewezen en haar heeft veroordeeld in de proceskosten. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 3.5 [appellante] heeft een spoedeisend belang. Zij beroept zich immers op de rechtsgeldigheid van de opzegging van de huurovereenkomst als gevolg waarvan [geïntimeerden] volgens haar vanaf 3 november 2018 de woonboot zonder recht of titel bewonen. De eerste vraag die voorligt is of [geïntimeerden] een beroep kunnen doen op huurbescherming zoals die geldt bij de verhuur van woonruimte. In dat kader twisten partijen over de vraag of de woonboot als een roerende of onroerende zaak aangemerkt dient te worden. 3.6 [appellante] heeft gesteld dat de woonboot roerend is omdat het een schip is in de zin van artikel 8:1 BW. Zij heeft ter onderbouwing van dat standpunt erop gewezen dat de woonboot zelfstandig drijft, meebeweegt met de stand van het water, niet bevestigd is aan de bodem en afgemeerd is aan de kade met kabels en stroppen en door middel van afkoppelbare leidingen verbonden is aan de nutsvoorzieningen van energie, water en riool. Voorts heeft [appellante] een verklaring van [Y] van 29 januari 2019 in het geding gebracht waarin staat dat de snelkoppeling van de leidingen voor de nutsvoorzieningen ‘met enkel een waterpomptang of verstelsleutel kunnen worden losgekoppeld’, dat dat loskoppelen een half uur tot maximaal drie kwartier duurt en dat het losmaken van de touwen ongeveer tien minuten tot een kwartier in beslag neemt. De woonboot blijft volgens [appellante] een roerende zaak ook indien die geacht kan worden bedoeld te zijn duurzaam ter plaatse te verblijven. [geïntimeerden] hebben naar voren gebracht dat de woonboot onroerend is omdat deze bedoeld is om duurzaam als woning te gebruiken en ter plaatse te blijven. Zij hebben ter onderbouwing aangevoerd dat de (waarde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.