afdeling strafrecht parketnummer: 23-001762-17 datum uitspraak: 8 mei 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-706437-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij op of omstreeks 21 september 2015 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 2.101 pillen en/of 409 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en / of (ongeveer) 850 ml, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2:hij op of omstreeks 21 september 2015 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 3.319 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; 3:hij op of omstreeks 21 september 2015, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten 2.594 euro en/of 6.560 euro en/of 2.900 euro, althans een bedrag aan contant geld, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten 2.594 euro en/of 6.560 euro en/of 2.900 euro, althans een geldbedrag aan contant geld gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en bewijsoverweging komt. Ter terechtzitting gevoerde verweren Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige aanhouding en doorzoeking van de woning, omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het gevolg daarvan moet zijn dat alle resultaten die uit de onrechtmatige aanhouding voortvloeien (waaronder het in beslag genomen geld en de aangetroffen drugs) van het bewijs uitgesloten moeten worden. Het hof overweegt als volgt. Ten tijde van de aanhouding was er, anders dan de verdediging stelt, sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang. Een politieagent zag dat medeverdachte [medeverdachte] geld wisselde bij een geldwisselkantoor op het Damrak. Ondertussen stond de verdachte in een steeg op drie meter afstand en met zijn blik gericht op [medeverdachte]. [medeverdachte] keek steeds schichtig om zich heen en gedroeg zich zenuwachtig. Nadat [medeverdachte] geld had gewisseld, liep zij langs de verdachte en zij spraken kort met elkaar. Vervolgens ging de verdachte geld wisselen. De verdachte had een brandende sigaret in zijn hand die hij aan [medeverdachte] overhandigde. [medeverdachte] rookte deze op in de Mandemakersteeg. De verbalisant zag dat de verdachte en [medeverdachte] steeds om zich heen keken en oogcontact hielden. Zodra de verdachte klaar was met het wisselen van geld, liepen [medeverdachte] en de verdachte samen weg in de richting van de Nieuwedijk. Voordat de verbalisanten besloten [medeverdachte] en de verdachte aan te houden, sprak één van hen kort met de medewerker van het geldwisselkantoor. Die gaf aan dat het voor hem niet duidelijk was dat [medeverdachte] en de verdachte bij elkaar hoorden. Hij verklaarde ook dat [medeverdachte] voor een bedrag van € 2.594,00 aan Schotse en Ierse ponden omwisselde en dat de verdachte voor een bedrag van € 6.563,00 aan Noord-Ierse ponden inwisselde. Naast dat sprake is van een witwastypologie (het omwisselen van een aanzienlijk contant geldbedrag aan buitenlandse valuta), zijn er verdachte omstandigheden. De verdachten zijn gezamenlijk op pad, maar ten tijde van het omwisselen doen zij voorkomen alsof zij alleen zijn. Daarnaast vertoonde met name [medeverdachte] zenuwachtig gedrag, wat het vermoeden dat de verdachten bezig waren geld wit te wassen ondersteunt. Onder deze omstandigheden is sprake van een voldoende redelijk vermoeden dat sprake is van witwassen, om over te gaan tot aanhouding van de beide verdachten. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim, zodat geen aanleiding bestaat om de resultaten die het gevolg zijn van de aanhouding van de verdachte van het bewijs uit te sluiten. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning, zodat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De verdachte moet van deze feiten worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 kan niet worden bewezen dat de verdachte de € 2.900,00 heeft witgewassen die bij de medeverdachte in haar tas is aangetroffen, nu de verdachte geen wetenschap had van dit bedrag. Bewijsoverweging Feiten 1 en 2 – in de woning aangetroffen hard- en softdrugs De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] hadden op het moment van hun aanhouding samen contante geldbedragen in euro’s voorhanden. De dag na hun aanhouding is de door de medeverdachte [medeverdachte] gehuurde woning in Hoogvliet doorzocht. Voorafgaand aan de doorzoeking is door verbalisanten aan de medeverdachte [medeverdachte] gevraagd of zij toestemming kregen om met de sleutel de woning te betreden om de huisdieren van de medeverdachte [medeverdachte] uit de woning te halen. De medeverdachte [medeverdachte] gaf deze toestemming niet. In de woning zijn - na verkregen machtiging tot het binnentreden van de woning - op verschillende plaatsen hard- en softdrugs aangetroffen, waaronder circa 2.100 MDMA pillen. In de woning zijn verder in een slaapkamer (kamer 6) twee volle boodschappentassen met mannenkleding aangetroffen. In een afgesloten deel van de kledingkast in deze kamer is een kleine plastic tas met vrouwenkleding aangetroffen. Verder zijn persoonlijke documenten van de verdachte in de woning aangetroffen, waaronder poststukken van recente datum. De verklaring van de verdachte dat [medeverdachte] spullen van de verdachte zou hebben bewaard in haar oude woning en deze spullen zouden zijn ‘meeverhuisd’ naar de woning in Hoogvliet acht het hof niet aannemelijk, mede gelet op het feit dat de in de woning aangetroffen poststukken geadresseerd aan de verdachte van recente datum zijn. Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte en de medeverdachte beiden gebruik maakten van de woning waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. Het hof gaat ervan uit dat de gebruikers van een woning wetenschap hebben van de aanwezige goederen en deze goederen zich ook in hun machtssfeer bevinden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit anders is. De bewijsmiddelen bieden daarentegen concrete aanknopingspunten dat de verdachte en de medeverdachte daar wel van op de hoogte waren. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, met name de forse hoeveelheid MDMA pillen, en de geldbedragen die onder de verdachte en de medeverdachte zijn aangetroffen, gaat het hof ervan uit dat deze bestemd waren voor de handel in verdovende middelen waar zowel de verdachte als de medeverdachte kennis van hadden. Gelet op het bovenstaande acht het hof bewezen dat de verdachte, wist dat de aangetroffen drugs in de woning aanwezig waren en dat zij die drugs samen opzettelijk aanwezig hebben gehad. Het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte] zal worden afgewezen omdat de noodzaak tot het horen van [medeverdachte] ontbreekt, nu [medeverdachte] reeds als getuige is gehoord door de raadsheer-commissaris. Feit 3 - witwassen Het hof stelt voorop dat het aanwezig hebben van een aanzienlijk bedrag aan contant geld in vreemde valuta een witwastypologie is. Onder de medeverdachte en in de auto waarin de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] reden zijn drie contante geldbedragen aangetroffen. Het bedrag van € 2.594,00 was verkregen door het inwisselen van Ierse en Schotse ponden door de medeverdachte en is aangetroffen in het dashboardkastje van de auto. € 6.560,00 was verkregen door het inwisselen van Noord-Ierse ponden door de verdachte en is aangetroffen in een tasje van de medeverdachte. Daarnaast is nog € 2.900,00 aangetroffen in hetzelfde tasje als waarin de € 6.560,00 zat met een document inzake een eerdere wisseltransactie op 11 september 2015 in Rotterdam van (vermoedelijk eveneens) Noord-Ierse ponden. Bij elkaar opgeteld gaat het om € 12.054,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.