afdeling strafrecht parketnummer: 23-003769-18 datum uitspraak: 17 mei 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684168-18 en 13-701049-18 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de toepasselijke wettelijke voorschriften en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof overweegt als volgt. In de zaak met parketnummer 23-000575-19, die ter terechtzitting in hoger beroep gelijktijdig maar niet gevoegd is behandeld met de onderhavige zaak, beslist het hof de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders op te leggen. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht acht het hof het raadzaam te bepalen dat in de onderhavige zaak geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9a, 43a, 57, 63, 184, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Het hof zal het openbaar ministerie in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van het ten aanzien van de bij dat vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2018, parketnummer 13-701049-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken, niet-ontvankelijk verklaren, nu het hof in de zaak met parketnummer 23-000575-19, die ter terechtzitting in hoger beroep gelijktijdig maar niet gevoegd is behandeld met de onderhavige zaak, reeds heeft beslist op deze vordering tot tenuitvoerlegging. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Bepaalt dat ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 13-701049-18. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 mei 2019. […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.