Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002855-18 Datum uitspraak: 15 mei 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13‑701983-18 en 16-185056-16 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vordering advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde medeplegen van het bezit van cocaïne en verschillende hoeveelheden MDMA zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, en voorts dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen, in die zin dat in plaats van een gevangenisstraf van twee weken, een taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis wordt gelast. Vonnis waarvan beroep De behandeling van de zaak in hoger beroep noch het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft het hof gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, zodat het vonnis waarvan beroep kan worden bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Hieruit spreekt dat het hof, anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging, niet méér onderdelen van het tenlastegelegde bewezen acht dan in eerste aanleg is gedaan. Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft bij schriftelijke vordering van 20 juli 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 december 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De raadsvrouw heeft – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal in hoger beroep – verzocht bij toewijzing van de vordering de voorwaardelijk opgelegde straf om te zetten naar een taakstraf. Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te gebeuren. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, ziet het hof evenwel aanleiding in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur te gelasten. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht. Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 december 2016 met parketnummer 16‑185056-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. J.J.I. de Jong en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 mei 2019. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.