← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:1773

afdeling strafrecht parketnummer: 23-003899-17 datum uitspraak: 28 mei 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-676689-12 tegen de veroordeelde [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952, adres: [adres]. Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 416.043,00, ter terechtzitting is dit bedrag verminderd tot € 394.998,

  1. De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2017 - voor zover in de onderhavige procedure van belang - veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 31 oktober 2017 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 389.998,24 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wederrechtelijk voordeel had de rechtbank bepaald op € 394.998,24, maar zij zag in het door haar geconstateerde tijdverloop aanleiding de betalingsverplichting te verminderen met € 5.000,
  2. Tegen laatstgenoemd vonnis is namens de veroordeelde hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde draagkrachtverweer zal bespreken. Bespreking van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde draagkrachtverweer Het hoger beroep beperkt zich in de kern genomen tot het draagkrachtverweer. Aangevoerd is dat de veroordeelde niet in staat is aan de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen, aangezien hij onvoldoende draagkracht heeft. Het is, aldus de raadsman, volstrekt illusoir dat de veroordeelde, zelfs bij matiging, iets kan betalen. Het hof is van oordeel dat deze niet nader (cijfermatig) onderbouwde (gepretendeerde) financiële omstandigheid onvoldoende is reeds nu tot de conclusie te komen dat de veroordeelde thans noch - naar redelijke verwachting - in de toekomst in staat is (zal zijn) aan de betalingsverplichting te voldoen. Het hof zal dan ook met deze omstandigheid geen rekening houden bij het vaststellen van de betalingsverplichting. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. J.D.L. Nuis en mr. S. Clement, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei
  3. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.