← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:1776

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001246-18 (ontneming) datum uitspraak: 16 april 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-860052-15 tegen de veroordeelde [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967, adres: [adres]. Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 93.776,

  1. De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 maart 2018 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van witwassen, meermalen gepleegd, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 3 april 2018 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 33.088,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de veroordeelde is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. Op 18 oktober 2018 is namens de veroordeelde het hoger beroep in de strafzaak ingetrokken. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Schikking Nadat het hof aan de advocaat-generaal en de raadsman desgevraagd gelegenheid heeft geboden om gezamenlijk met een voorstel te komen, hebben beide partijen ieder voor zich meegedeeld dat overeenstemming is bereikt over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting, in de vorm van een schikking. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep dienovereenkomstig gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 7.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman heeft desgevraagd het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt bevestigd. Alvorens tot een uitspraak te komen, hecht het hof eraan op te merken dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een schikking in de zin van artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering, de in dat artikel geregelde situatie ziet op de totstandkoming van een schriftelijke schikking tussen het openbaar ministerie en de veroordeelde zonder bemoeienis van de rechter. In de onderhavige situatie heeft de rechtbank reeds vonnis gewezen en kan in hoger beroep alleen door het hof het vonnis worden vernietigd en hetgeen tussen het openbaar ministerie en de veroordeelde is overeengekomen in de uitspraak worden betrokken. Het hof heeft zich voorts ervan vergewist dat partijen over en weer aan elkaar voldoende en duidelijke informatie hebben verstrekt ten aanzien van hetgeen werd beoogd. Partijen hebben voldoende tijd gehad weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en partijen hebben, naar het hof afleidt uit het verhandelde ter terechtzitting van 16 april 2019, zonder dwang deelgenomen aan de daartoe strekkende onderhandelingen alsmede hebben partijen zich rekenschap gegeven van de inhoud, de strekking en de consequenties van hun voorstel. Het hof ziet aanleiding, gelet op het vorenstaande, de tot stand gekomen schikking in zijn uitspraak te vervatten en het (overeengekomen) wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk te stellen aan de (overeengekomen) betalingsverplichting tot een bedrag van € 7.000,
  2. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro). Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. J.D.L. Nuis en mr. S. Clement, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 april
  3. mrs. Van Amsterdam en Clement zijn niet in staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.