GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.230.947/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/229184 / HA ZA 15-479 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 januari 2019 inzake JOSEPH B.V., gevestigd te Velsen, appellante, advocaat: mr. S.A.B. Boer te Amsterdam, tegen STICHTING PRÉ WONEN, voor zich en als rechtsopvolgster onder algemene titel krachtens fusie van Préferent Holding B.V. en Préferent Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Haarlem, geïntimeerde, advocaat: mr. H.J. van der Hauw te Velsen-Zuid. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Joseph en Pré Wonen genoemd. Joseph is bij dagvaarding van 27 december 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 24 mei 2017 en 27 september 2017, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Joseph als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en Préferent Projectontwikkeling B.V. en Pré Wonen als gedaagden in conventie tevens eiseressen in reconventie. De dagvaarding bevat de grieven. Joseph heeft geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding en producties in het geding gebracht. Pré Wonen heeft vervolgens een memorie van antwoord, met producties ingediend. Partijen hebben de zaak ter zitting van 18 oktober 2018 doen bepleiten, Joseph door haar voornoemde advocaat en Pré Wonen door mr. M. van de Glind, advocaat te Velsen-Zuid, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Joseph heeft nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. Joseph heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering in conventie zal toewijzen en die in reconventie zal afwijzen, met veroordeling van Pré Wonen in de kosten van het geding in beide instanties. Pré Wonen heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente. Pré Wonen heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 24 mei 2017 onder 3.1 tot en met 3.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Behoudens de feiten onder 3.1 en 3.4, tegen de formulering waarvan Joseph met de grieven 1 respectievelijk 2 is opgekomen, zijn de vastgestelde feiten niet in geschil, zodat deze ook het hof tot uitgangspunt strekken. 2.2. Grief 1 faalt omdat de rechtbank met de formulering van overweging 3.1 (hierna vermeld onder 2.5) niet heeft geoordeeld dat na de totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst in 2007 geen (nadere) afspraken tussen partijen zijn gemaakt. Dit geldt temeer omdat in het desbetreffende feit als onderdeel van de samenwerking expliciet de ontwikkeling van acht seniorenwoningen wordt vermeld (in plaats van de in de samenwerkingsovereenkomst genoemde tien starterswoningen). Wat verder ook zij van grief 2, het hof zal de formulering van overweging 3.4 als na te melden (onder 2.8) aanpassen; voor de uitkomst van deze procedure heeft dat geen wezenlijke betekenis. 2.3. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.4. Na diverse fusies in 2016 is Préferent Projectontwikkeling B.V. opgegaan in Pré Wonen. Préferent Projectontwikkeling B.V. en Pré Wonen worden hierna ook gezamenlijk aangeduid als Préferent c.s. 2.5. Préferent c.s. en A.J.D. City B.V. (hierna: A.J.D. City) hebben in 2007 afspraken gemaakt om te komen tot een gezamenlijke (her)ontwikkeling van de voormalige City Bioscoop (hierna ook: het pand) aan de [adres 2] . In het kader van deze samenwerking zouden Préferent c.s. de bovenverdieping van het pand ontwikkelen tot acht seniorenwoningen en zou A.J.D. City de begane grond en de kelder van het pand ontwikkelen tot winkelruimte en opslagruimte. Eveneens in het kader hiervan heeft A.J.D. City tegen betaling van een koopsom van € 340.000,= het deel van het pand waar de door Préferent c.s. te ontwikkelen woningen zouden komen aan Préferent c.s. overgedragen. 2.6. De samenwerking is in 2010 geëindigd, hetgeen tussen partijen tot een gerechtelijke procedure heeft geleid. Bij vonnis van 11 december 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland, kort gezegd, geoordeeld dat Préferent c.s. tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst en de overeenkomst op grond daarvan ontbonden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de kans dat A.J.D. City schade heeft geleden voldoende aannemelijk is en Préferent c.s. hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de ten gevolge van de tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat. 2.7. Préferent c.s. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In zijn arrest van 2 juni 2015 heeft dit hof het vonnis vernietigd voor zover daarbij de vordering van Préferent c.s. tot veroordeling van A.J.D. City tot medewerking aan de teruglevering door Pré Wonen van het aan haar overgedragen deel van het pand (hierna: het appartementsrecht van Pré Wonen) was afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof A.J.D. City alsnog daartoe veroordeeld, tegen terugbetaling (aan Pré Wonen) van de koopsom van € 340.000,=, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag dat A.J.D. City met deze veroordeling in gebreke mocht blijven met een maximum van € 500.000,=. Voor het overige is het vonnis van 11 december 2013 bekrachtigd. 2.8. Het arrest van 2 juni 2015 is betekend aan A.J.D. City. De teruglevering van het appartementsrecht van Pré Wonen aan A.J.D. City tegen terugbetaling van de koopsom van € 340.000,= heeft niet plaatsgevonden. Pré Wonen stelt zich in dat verband op het standpunt dat A.J.D. City haar medewerking daaraan heeft geweigerd en de (maximum) dwangsom heeft verbeurd; A.J.D. City heeft daartegenover gewezen op haar toezegging mee te werken aan de teruglevering, waarbij zij de daarvoor verschuldigde koopsom verrekent met de hoofdelijke vordering die zij op Pré Wonen heeft op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. 2.9. Op 17 juni 2015 heeft A.J.D. City ten laste van Préferent c.s. conservatoir beslag gelegd op diverse aan Préferent c.s. toebehorende onroerende zaken. Het beslag is enige tijd later gedeeltelijk opgeheven. 2.10. A.J.D. City heeft in kort geding veroordeling van Pré Wonen gevorderd om het appartementsrecht aan haar terug te leveren, met verrekening van de verschuldigde koopsom met de schadeclaim. De voorzieningenrechter heeft A.J.D. City op 16 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering aangezien zij naast Pré Wonen niet tevens Préferent Projectontwikkeling B.V. in het kort geding had betrokken. De voorzieningenrechter heeft daarbij ten overvloede overwogen dat indien A.J.D. City wel ontvankelijk was geweest, de vordering zou zijn afgewezen aangezien zij de door haar gepretendeerde schadeclaim op Préferent c.s. onvoldoende had onderbouwd. 2.11. In de eerste aanleg van de onderhavige procedure heeft A.J.D. City incidenteel gevorderd dat Préferent c.s. bij wijze van voorlopige voorziening zouden worden veroordeeld om aan haar bij wijze van voorschot op schadevergoeding een bedrag van € 340.000,= te voldoen, te vermeerderen met rente. Deze vordering is op 7 oktober 2015 afgewezen. 2.12. A.J.D. City heeft haar schadeclaim op Préferent c.s. op 15 december 2015 bij notariële akte gecedeerd aan Joseph. In de eerste aanleg van de onderhavige procedure heeft Joseph de rechtbank verzocht haar toestemming te verlenen zich in de plaats te stellen van A.J.D. City als procespartij. Dit verzoek is gehonoreerd. 3Beoordeling 3.1. Aanvankelijk A.J.D. City (later Joseph) heeft in de eerste aanleg van de onderhavige procedure in conventie gevorderd dat Préferent c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.501.423,=, een bedrag van € 16.940,= in verband met het opstellen van de schadestaat en de beslagkosten ter grootte van € 1.274,25, een en ander te vermeerderen met rente en met veroordeling van Préferent c.s. in de kosten van deze procedure, eveneens vermeerderd met rente. In reconventie hebben Préferent c.s. opheffing gevorderd van op 17 juni 2015 ten laste van hen gelegde beslagen op hun toebehorende onroerende zaken. 3.2. De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en in reconventie de door A.J.D. City gelegde conservatoire beslagen op de aan Préferent c.s. toebehorende onroerende zaken opgeheven. Joseph is belast met de kosten van het geding in conventie en in reconventie, welke laatste kosten zijn begroot op nihil. Tegen de beslissingen in conventie en die in reconventie en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Joseph met haar grieven op. 3.3. Bij de beoordeling van de onderhavige zaak strekt, gelet op het (onherroepelijke) arrest van 2 juni 2015, in samenhang met het daarbij grotendeels bekrachtigde vonnis van 11 december 2013, het volgende tot uitgangspunt. Préferent c.s. hebben A.J.D. City op 16 februari 2010 laten weten dat zij het project wilden afstoten. De aanvankelijke poging van Préferent c.s. om het project te verkopen is gestaakt, waarna partijen het niet meer eens konden worden over de gezamenlijke uitvoering van het project. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.14 van meergenoemd arrest overwogen dat de aanvankelijke poging van Préferent c.s. het project te verkopen niet relevant is voor zijn oordeel. In de daarop volgende overwegingen staat dat de toerekenbare tekortkoming van Préferent c.s. erin is gelegen dat zij vervolgens in het kader van de gezamenlijke uitvoering van het project aanstuurden op het bouwen van tien starterswoningen met berging op de begane grond, terwijl A.J.D. City aanspraak kon maken op uitvoering van het plan acht seniorenwoningen te bouwen met berging in de kelder, overeenkomstig het bouwplan dat had geresulteerd in de bouwvergunning eerste fase. Het hof heeft het verweer van Préferent c.s. dat zij nooit in verzuim zijn geraakt, omdat de samenwerkingsovereenkomst geen fatale termijnen kende en zij niet in gebreke zijn gesteld, verworpen. Daarbij heeft het hof gewezen op de brief van 7 oktober 2010 van de advocaat van (onder anderen) A.J.D. City, waarin Préferent c.s. onder het stellen van een termijn zijn gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst en overwogen dat A.J.D. City bovendien uit de mededelingen van Préferent c.s. in de namens hen geschreven brieven, waaronder die van 12 oktober 2010, heeft moeten afleiden dat Préferent c.s. in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst zouden tekortschieten, zodat het verzuim ook zonder in gebrekestelling is ingetreden. Op grond van het ingetreden verzuim was A.J.D. City gerechtigd tot het vorderen van ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst, met schadevergoeding, aldus nog steeds het arrest van 2 juni 2015. 3.4. De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis onder meer overwogen dat causaal verband tussen de tekortkoming van Préferent c.s. in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en de door Joseph gestelde schade pas kan worden aangenomen indien A.J.D. City in staat zou zijn geweest de ontwikkeling van haar deel van het project ter hand te nemen als die tekortkoming zou zijn uitgebleven. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank Joseph in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat A.J.D. City eind 2010 financieel in staat was de in de samenwerkingsovereenkomst beoogde ontwikkeling, voor zover het haar deel betrof, daadwerkelijk te realiseren. Joseph heeft naar aanleiding hiervan een rapport van feitelijke bevindingen van Gewoon Accountants & Adviseurs B.V. van 29 juni 2017, met bijlagen, in het geding gebracht. De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis overwogen dat dit rapport (bestaande uit twee A4-tjes waarvan slechts een alinea een beschrijving geeft van de feitelijke bevindingen), nu op het cijfermateriaal geen accountantscontrole is toegepast, te summier is en onvoldoende met stukken is onderbouwd om in het kader van de bewijsopdracht voldoende gewicht in de schaal te leggen. 3.5. Met grief 3 keert Joseph zich onder meer tegen voornoemde bewijsopdracht. Op zichzelf terecht voert Joseph aan dat bij de beoordeling van de vraag of het vereiste causaal verband bestaat tussen de tekortkoming van Préferent c.s. en de schade, onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende schadeposten waarvan vergoeding wordt gevorderd. Het hof zal hierna eerst ingaan op de door Joseph gestelde schade onder I (gederfde winst uit exploitatie winkelruimte) en onder III (schadeclaim huurder). De schadeposten II (lagere waarde terug te leveren appartementsrecht van Pré Wonen) en IV (advieskosten) zullen hierna afzonderlijk worden besproken onder 3.17-3.18 en onder 3.19. 3.6. Grief 3 faalt voor zover daarin wordt opgekomen tegen de door de rechtbank tot uitgangspunt genomen bewijslastverdeling. Gelet op hetgeen partijen in eerste aanleg over en weer voldoende gemotiveerd hebben gesteld, heeft de rechtbank A.J.D. City op grond van artikel 150 Rv terecht in de gelegenheid gesteld tot het leveren van voormeld bewijs. Anders dan Joseph kennelijk meent valt uit de bewijsopdracht niet af te leiden dat de rechtbank voor ogen stond dat met absolute zekerheid moest komen vast te staan dat de tekortkoming van Préferent c.s. de ontwikkeling onmogelijk had gemaakt. Uit de bewijswaardering door de rechtbank, zoals hiervoor weergegeven (en bestreden met de hierna te bespreken grief 4) valt dat evenmin af te leiden. In haar betoog dat de bewijsopdracht onterecht was omdat voorafgaand aan het tussenvonnis in redelijke mate van waarschijnlijkheid vaststond dat de schade niet ook zou zijn ingetreden zonder de tekortkoming van Préferent c.s., kan Joseph niet worden gevolgd, reeds omdat zij dit slechts toelicht door te verwijzen naar haar – betwiste – stellingen en niet naar concrete bewijsmiddelen die deze stellingen ondersteunen. Ten slotte is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de formulering van de bewijsopdracht terecht de financiële situatie van A.J.D. City van eind 2010 relevant heeft geacht, omdat toen het verzuim van Préferent c.s. is ingetreden en, in het licht van het verweer van Préferent c.s., onderzocht moet worden of A.J.D. City de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van de tekortkoming van Préferent c.s., niet ook zou hebben geleden als die tekortkoming zou zijn uitgebleven. 3.7. Grief 4 betreft de hiervoor onder 3.4 weergegeven waardering van het bewijs door de rechtbank. Joseph heeft ter toelichting gesteld dat zij het bewijs heeft geleverd aan de hand van het rapport van feitelijke bevindingen (inzake draagkracht vennootschap A.J.D. City B.V.) van 29 juni 2017 van Gewoon Accountants & Adviseurs, waarin volgens Joseph zonder enig voorbehoud wordt geconcludeerd dat A.J.D. City per 1 januari 2010 een bedrag van minimaal € 580.958,= beschikbaar had voor de realisering van het project. Gewoon Accountants & Adviseurs is een extern accountantskantoor. Zij heeft de vier bijlagen bij het rapport voorzien van een stempel met paraaf. In het tussenvonnis van 24 mei 2017 is niet de eis van een accountantscontrole gesteld en de rechtbank beoordeelt het rapport als te summier zonder duidelijk te maken welke informatie dan zou ontbreken, aldus Joseph. 3.8. Het hof constateert dat het desbetreffende rapport allereerst de inhoud van de opdracht en de aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden vermeldt. Daarbij wordt onder meer opgemerkt dat slechts verslag wordt gedaan van feitelijke bevindingen uit hoofde van de overeengekomen werkzaamheden en dat op het in de bijlage opgenomen cijfermateriaal geen accountantscontrole is toegepast. Vervolgens staat in het rapport het volgende: Wij hebben de volgende werkzaamheden verricht: 1. Wij zijn nagegaan of in de vennootschap A.J.D. City B.V. gedurende het jaar 2010 met als toetsmoment de situatie per 1-1-2010 ten behoeve van de ontwikkeling van het “project [adres 2] ” voldoende draagkracht aanwezig is. 2. Wij hebben onderzoek gedaan naar de stand van de gereserveerde middelen per 1 januari 2010 ten behoeve van het “project [adres 2] ”. 3. Wij hebben op basis van de door Gewoon Administratie & Adviseurs gevoerde administratie en opgestelde jaarrekening onze werkzaamheden uitgevoerd. Beschrijving van de feitelijke bevindingen Wij hebben vastgesteld dat er per 1 januari 2010 minimaal € 580.958 beschikbaar was voor het verder ontwikkelen van “Project [adres 2]. Dit bedrag bestaat uit het bouwdepot ad € 282.419,- en gerealiseerde opbrengsten ad € 357.043,-. Verder heeft er in rekening-courant aan A.J.D. Vastgoed een aflossing plaatsgevonden ad € 58.254. Achter het rapport bevindt zich (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.