afdeling strafrecht parketnummer: 23-004254-17 datum uitspraak: 8 juli 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15‑073907‑16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Op 12 juni 2019 heeft de verdachte het hoger beroep ingetrokken. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair:zij op of omstreeks 30 maart 2016 te De Cocksdorp, gemeente Texel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Suzuki, type Alto, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Hoofdweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, dat motorrijtuig te besturen:- met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan of verantwoord was en/of- met een snelheid die zo hoog was, dat zij niet in staat is gebleken om haar motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- door bij het naderen en/of inhalen van twee voor haar rijdende fietssters onvoldoende uit te wijken naar links,immers heeft zij, verdachte, toen aldaar (terwijl zij ter plaatse bekend is en het op dat tijdstip, door het ontbreken van straatverlichting, zeer donker was) haar snelheid (en verlichting) onvoldoende aan de omstandigheden aangepast en/ofaldus rijdende, toen zij werd geconfronteerd met twee voor haar in dezelfde rijrichting naast elkaar rijdende fietssters, de meest links voor haar rijdende fietsster, genaamd [slachtoffer], niet kunnen ontwijken en is zij (met behoorlijke snelheid) opgebotst of aangereden tegen de achterzijde van die fiets en/of die fietsster, waardoor die fietsster werd gedood; subsidiairzij op of omstreeks 30 maart 2016 te De Cocksdorp, gemeente Texel als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Suzuki, kenteken [kenteken])), daarmee rijdende op de weg, de Hoofdweg,- met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan of verantwoord was en/of- met een snelheid die zo hoog was, dat zij niet in staat is gebleken om haar motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- door bij het naderen en/of inhalen van twee voor haar rijdende fietssters onvoldoende uit te wijken naar links,immers heeft zij, verdachte, toen aldaar (terwijl zij ter plaatse bekend is en het op dat tijdstip, door het ontbreken van straatverlichting, zeer donker was) haar snelheid (en verlichting) onvoldoende naar de omstandigheden aangepast, waarna zij in botsing of aanrijding is gekomen met een voor haar in dezelfde rijrichting rijdende fietsster, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het weggedrag van de verdachte aangemerkt dient te worden als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag omdat zij haar snelheid niet heeft aangepast aan de omstandigheden, niet in staat is gebleken tijdig haar auto tot stilstand te brengen en geen rekening heeft gehouden met de mogelijke aanwezigheid van fietsers. De tekortkomingen in het rijgedrag van verdachte zijn dusdanig dat kan worden gesproken van aanmerkelijke schuld van de verdachte aan het ontstaan van het ongeval waardoor [slachtoffer] is overleden. De advocaat-generaal acht het primair ten laste gelegde feit bewezen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend weggedrag aan de zijde van verdachte, zodat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Het hof overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts geldt naar vaste rechtspraak dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De enkele omstandigheid dat sprake is geweest van een moment van onachtzaamheid bij de verdachte is onvoldoende voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt het navolgende. Op 30 maart 2016 om 21:23 uur heeft te De Cocksdorp op Texel een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte reed met een door haar bestuurde personenauto over de Hoofdweg, komende uit de richting van de Oorsprongweg. Voor haar reden twee fietssters naast elkaar in dezelfde rijrichting. Verdachte is achterop de linker fietsster gereden die ten gevolge van de aanrijding is overleden. WhatsApp Het meest verstrekkende verwijt dat verdachte in deze door het openbaar ministerie aanvankelijk werd gemaakt, was dat zij was afgeleid doordat zij tijdens het rijden gebruik heeft gemaakt van haar mobiele telefoon. Door de wijziging van de tenlastelegging maakt dit verwijt in hoger beroep geen deel meer uit van de tenlastelegging. Desondanks kan niet zonder nadere bespreking aan deze kwestie voorbij worden gegaan. Met de rechtbank overweegt het hof dat het door de verdachte aangedragen scenario, inhoudende dat zij op 30 maart 2016 om 21:21:04 uur een WhatsApp-bericht heeft verzonden nadat zij haar auto langs de weg had stilgezet, niet zo onwaarschijnlijk is dat dit om die reden terzijde kan worden geschoven. Op grond van het dossier, en dan met name gelet op het proces-verbaal video reconstructie van 18 oktober 2017 van verbalisant [verbalisant], kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de verdachte WhatsApp-berichten heeft verzonden of gelezen tijdens het autorijden. Snelheid De overige verwijten die verdachte worden gemaakt houden verband met de gereden snelheid. De verdachte heeft met een snelheid van 80 kilometer per uur op een aardedonkere, betrekkelijk smalle weg, waar een maximum snelheid gold van 80 kilometer per uur, [slachtoffer], die links naast een andere fietsster voor verdachte op de weg fietste, te laat opgemerkt. Nadat de verdachte op haar weghelft een rood lichtje had waargenomen, is zij iets naar links uitgeweken en heeft zij geremd. Dit bleek echter te laat; zij raakte [slachtoffer] vol van achteren. Dat laatste vindt steun in de omstandigheid dat het zichtbare remspoor van de auto later aanving dan de (vermoedelijke) plaats van aanrijding. Vooropgesteld dient te worden dat de verdachte niet harder reed dan ter plaatse was toegestaan. Voorts was de snelheid van de verdachte in de gegeven omstandigheden niet zodanig hoog dat haar handelen als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig kan worden aangemerkt. Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt, is dat zij geen, in elk geval onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijke aanwezigheid van fietsers op de rijbaan en daarop onvoldoende haar snelheid heeft aangepast om een aanrijding te kunnen voorkomen. De verdachte heeft aldus een verkeersfout gemaakt met voor het slachtoffer fatale gevolgen, maar deze fout is gelet op de omstandigheden van het geval, voor zover die objectief zijn komen vast te staan, niet zonder meer aan te merken als “schuld” aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Om die reden wordt verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken. Bewijsoverweging Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte door voornoemde verkeersfout wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW en de verdachte zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Hetgeen onder het subsidiair ten laste gelegde onder de eerste twee gedachtestreepjes is opgenomen, betreft naar het oordeel van het hof een en dezelfde verkeersfout, te weten het rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse gelet op de toen geldende omstandigheden verantwoord was, namelijk met een snelheid die zodanig hoog was, dat zij niet in staat is gebleken om haar auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien. Van deze onvoorzichtige gedraging, gelegen in de snelheid waarmee de verdachte reed, is het gevolg geweest dat zij niet tijdig heeft kunnen remmen en/of uitwijken bij het naderen van de fietssters. Hetgeen onder het derde gedachtestreepje is opgenomen, betreft in dit geval dus evenmin een afzonderlijke verkeersfout. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of de verdachte, gelet op naderende tegenliggers, redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad om groot licht te voeren. Dat zij haar verlichting onvoldoende aan de omstandigheden heeft aangepast, acht het hof dan ook niet bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 30 maart 2016 te gemeente Texel als bestuurder van een voertuig, personenauto, merk Suzuki, kenteken [kenteken], daarmee rijdende op de weg, de Hoofdweg, - heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse, gelet op de toen geldende omstandigheden, verantwoord was en die zo hoog was, dat zij niet in staat is gebleken om haar motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar, terwijl het op dat tijdstip, door het ontbreken van straatverlichting, zeer donker was, haar snelheid onvoldoende aan de omstandigheden aangepast, waarna zij in aanrijding is gekomen met een voor haar in dezelfde rijrichting rijdende fietsster, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.