← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:2310

GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING op de vordering van de advocaat-generaal van 23 april 2019 strekkende tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, wonende te [adres]. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft gezien de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2018, alsmede van de schorsingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2017. Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 19 juni 2019 gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers. Het hof heeft gelet op artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering. De beoordeling Het hof constateert dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bleek te wonen op een ander adres dan dat waarop hij blijkens de voorwaarden verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van 27 juli 2017 had moeten verblijven. Inmiddels is hij volgens eigen opgave opnieuw verhuisd. Niet is gebleken dat hij, zoals eveneens vereist op grond van eerder genoemde schorsingsvoorwaarden, zijn adreswijzigingen aan de officier van justitie heeft doorgegeven. Bovendien is de verdachte aangetroffen in een woning, waarvan hij heeft verklaard dat hij daar toen woonde, waarin de sleutel van de bij de woning behorende kelderbox aanwezig was. In deze kelderbox is onder andere een handelshoeveelheid illegale geneesmiddelen en onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. In de woning is voorts een aanzienlijk bedrag aan contant geld aangetroffen, terwijl niet gebleken is dat hij over een legale bron van inkomsten beschikt. De verklaring die de verdachte voor een en ander heeft gegeven, acht het hof vooralsnog onvoldoende aannemelijk. Een en ander levert ernstige bezwaren op dat de verdachte zich in strijd met de schorsingsvoorwaarden schuldig heeft gemaakt aan een of meer strafbare feiten. Gelet op het vorenstaande constateert het hof dat de verdachte de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden. Het hof ziet daarin aanleiding om heden de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te gelasten. De beslissing Het hof: WIJST TOE de vordering van de advocaat-generaal van 23 april 2019 tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis; HEFT OP de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden. Deze beschikking is gegeven op 19 juni 2019 in raadkamer van dit hof door mr. J.L. Bruinsma voorzitter, mrs. N.A. Schimmel en M. Iedema, raadsheren, in tegenwoordigheid van D. de Jong als griffier. De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Amsterdam 19 juni 2019, de advocaat-generaal

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.