afdeling strafrecht parketnummer: 23-001464-18 datum uitspraak: 26 april 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-256371-17 en 15-038834-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van12 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering en de bewijsmiddelen waarop die motivering rust, op de hierna omschreven wijze zal aanvullen. Aanvullende bewijsmotivering Standpunt van de verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging in de zaak met parketnummer van eerste aanleg 15-256371-17 ten aanzien van het primaire feit vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte slechts een ticket en een hotel heeft geboekt voor smokkelaar [naam] en dat hij hem heeft opgewacht bij het busstation Amsterdam Bijlmer-Arena. Van een verdergaande betrokkenheid van de verdachte geeft het dossier geen blijk, zo luidt de stelling van de verdediging. Weliswaar is de verdachte op verzoek van ‘KK’ naar de hotelkamer van [naam] in het A&O hotel gegaan, maar slechts om voornoemde [naam] medische bijstand te verlenen en niet – zoals van de zijde van het openbaar ministerie is betoogd – om de door [naam] vervoerde drugs in ontvangst te nemen of zelfs maar te controleren. De woorden die de verdachte blijkens het proces-verbaal van observeren 19 december 2017 heeft gesproken, te weten: ‘Can you open it, can I see?’, hadden slechts betrekking op het door [naam] aangegeven letsel aan diens been waaromheen hij een handdoek had gebonden. Oordeel van het hof Het hof verwerpt het bewijsverweer en overweegt daartoe het volgende. Op 30 januari 2019 heeft [naam] bij de raadsheer-commissaris verklaard over de toedracht in de kamer van het A&O hotel. Hij heeft verklaard dat de verdachte de kamer binnenkwam en hem ([naam]) vroeg of hij ‘het’ binnen had. Volgens [naam] heeft de verdachte letterlijk de woorden: ‘Do you have inside?’ gesproken. Dat die woorden geen betrekking hebben gehad op het been van [naam] (waar een handdoek om heen zat) maar op zijn bagage, leidt het hof af uit het gerelateerde in het proces-verbaal van observeren 19 december 2017 voor zover inhoudende dat verbalisant [verbalisant 1] zag hoe de verdachte de trekstang van de paarse rolkoffer beetpakte met zijn linkerhand, en vroeg: ‘Can I see?’. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de door de verbalisanten en [naam] gehoorde woorden betrekking hadden op de heroïne houdende bagage van laatstgenoemde. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ontkend naar de paarse rolkoffer te hebben gereikt, maar aan deze ontkenning gaat het hof, in aanmerking genomen de waarneming door voornoemde verbalisant en de overige bewijsmiddelen, voorbij. Het hof merkt in dit verband op dat de verdachte (desgevraagd, ter zitting) heeft verklaard de Engelse taal voldoende machtig te zijn, mede omdat het Engels in zijn geboorteland Nigeria de ‘eerste taal’ is. Het hof merkt voorts op dat verdachte (desgevraagd, ter zitting) heeft verklaard geen arts te zijn en evenmin een andere medische achtergrond lijkt te hebben. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat indien het hof aanneemt dat de verdachte op de hotelkamer heeft gevraagd de drugs te zien, dit slechts redengevend is voor het niet ten laste gelegde aanwezig hebben van de drugs, niet van de (verlengde) invoer daarvan. Echter, het hof beschouwt het feit dat de verdachte heeft gevraagd de drugs te zien als slechts één van de omstandigheden die tezamen (en in onderling verband gezien) het bewijs voor het ten laste gelegde medeplegen van invoer vormen. Het hof betrekt tevens in zijn bewijsvoering de inhoud van het whatsappgesprek tussen de verdachte en ‘[naam 2]’, zoals gerelateerd in het proces-verbaal voorlopige analyse telecom van 28 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.