GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.224.873/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 15-27099 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juli 2019 inzake 1STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID, gevestigd te Amsterdam, 2. STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS BOUW & INFRA, gevestigd te Harderwijk, 3. STICHTING SCHOLINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID, gevestigd te Harderwijk, 4. STICHTING AANVULLINGSFONDS BOUW & INFRA, gevestigd te Harderwijk, appellanten in principaal appel, tevens geïntimeerden in incidenteel appel, advocaat: prof. dr. E. Lutjens te Amsterdam, tegen ECORENO B.V., gevestigd te Oudenbosch (gemeente Halderberge), geïntimeerde in principaal appel, tevens appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. P.W.M. Huisman te Bussum. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Bpf Bouw, O&O-fonds, Scholingsfonds en Aanvullingsfonds (gezamenlijk: de Fondsen) en EcoReno genoemd. De Fondsen zijn bij dagvaarding van 7 september 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 22 december 2015, 13 december 2016 en 13 juni 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen EcoReno als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de Fondsen als gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 mei 2019 doen bepleiten, de Fondsen door mr. Lutjens voornoemd en door mr. B. Degelink, advocaat te Amsterdam, en EcoReno door mr. Huisman voornoemd en mr. I. Morrema, advocaat te Bussum, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. De Fondsen hebben in principaal appel geconcludeerd na wijziging van eis dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad: 1. zal verklaren voor recht dat EcoReno vanaf 1 januari 2007 (subsidiair vanaf 15 juli 2016) valt onder de verplichtstelling van Bpf Bouw, vanaf 1 januari 2007 (subsidiair vanaf 15 juli 2016) gebonden is aan de statuten, reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van Bpf Bouw en vanaf 1 januari 2007 (subsidiair vanaf 15 juli 2016) premie moet betalen aan Bpf Bouw conform de bepalingen van het uitvoeringsreglement van Bpf Bouw; 2. zal verklaren voor recht dat EcoReno vanaf 1 januari 2007 (subsidiair vanaf 27 september 2012, meer subsidiair vanaf 1 januari 2016) gebonden is aan de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid (hierna: cao BTER) en vanaf 1 januari 2007 (subsidiair vanaf 27 september 2012, meer subsidiair vanaf 1 januari 2016) premie moet betalen aan het O&O-fonds en het Aanvullingsfonds conform de bepalingen van deze cao; 3. zal verklaren voor recht dat EcoReno vanaf 1 januari 2007 (subsidiair vanaf 8 april 2016, meer subsidiair vanaf 21 juni 2014) gebonden is aan de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao bouwnijverheid en de cao bouw & infra en deze moet toepassen jegens haar (voormalige) werknemers; 4. EcoReno zal veroordelen tot betaling van € 1.466.613,17 aan Bpf Bouw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de verschuldigde premie twee weken nadat de premie op grond van het uitvoeringsreglement van Bpf Bouw betaald had moeten zijn tot de dag der algehele voldoening; 5. EcoReno zal veroordelen tot betaling van € 205.617,47 aan het O&O-fonds, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde premie twee weken nadat de premie op grond van de cao BTER betaald had moeten zijn tot de dag der algehele voldoening; 6. EcoReno zal veroordelen tot betaling van € 95.121,55 aan het Aanvullingsfonds, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde premie twee weken nadat de premie op grond van de cao BTER betaald had moeten zijn tot de dag der algehele voldoening; 7. zal verklaren voor recht dat, indien uit de gegevens genoemd in de hierna te noemen vorderingen onder 8 en 9 blijkt dat de door EcoReno verschuldigde premie over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2018 hoger is dan het in vordering 4, 5 en/of 6 genoemde bedrag, EcoReno dan verplicht is dat hogere bedrag te betalen aan Bpf Bouw, het O&O-fonds respectievelijk het Aanvullingsfonds; 8. EcoReno zal veroordelen om binnen 14 dagen na de datum van betekening van het te wijzen arrest elektronisch de loon- en premiegegevens te verstrekken aan Bpf Bouw, het O&O-fonds en het Aanvullingsfonds, op de wijze als omschreven op http://www.administratienet.nl, omtrent de (gewezen) werknemers die tussen 1 januari 2007 en de datum van het te wijzen arrest bij EcoReno in dienst zijn (geweest), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat EcoReno geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met een of meer van deze verplichtingen, met een maximum van € 1.500.000,-; 9. EcoReno zal verplichten om uiterlijk 42 dagen na de datum van betekening van het te wijzen arrest aan Bpf Bouw, het O&O-fonds en het Aanvullingsfonds te verstrekken een controleverklaring van een registeraccountant waarin de registeraccountant een goedkeurend oordeel uitspreekt over de juistheid en volledigheid van de loon- en premiegegevens die EcoReno heeft verstrekt, waaronder mede begrepen de loon- en premiegegevens die op grond van het onder 8 gevorderde zijn verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat EcoReno geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met een of meer van deze verplichtingen, met een maximum van € 1.500.000,-; 10. EcoReno zal veroordelen tot betaling van € 219.991,98 aan Bpf Bouw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2015 tot de dag der algehele voldoening; 11. EcoReno zal veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van het O&O-fonds conform het rapport BGK-integraal 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2015 tot de dag der algehele voldoening; 12. EcoReno zal veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van het Aanvullingsfonds conform het rapport BGK-integraal 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2015 tot de dag der algehele voldoening; een en ander met veroordeling van EcoReno in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief nakosten, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat EcoReno is aangeschreven tot betaling van deze kosten. De Fondsen hebben in (voorwaardelijk) incidenteel appel geconcludeerd dat het hof de vordering van EcoReno zal afwijzen, met veroordeling van EcoReno in de proceskosten. EcoReno heeft in principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de Fondsen, met veroordeling van de Fondsen in de kosten van (naar het hof begrijpt) het geding in hoger beroep. EcoReno heeft in (voorwaardelijk) incidenteel appel gevorderd dat het hof het tussenvonnis van 13 december 2016 (naar het hof begrijpt: gedeeltelijk) zal vernietigen en zal verklaren voor recht dat de activiteiten in dat vonnis vermeld in de alinea’s 17, 19, 21, 32, 34, 36, 42 en 45 activiteiten zijn die niet vallen onder de regelingen in de bouw, met veroordeling van de Fondsen in de kosten op het incident gevallen. EcoReno heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 13 december 2016 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1 EcoReno is opgericht in 2004 en houdt zich bezig met asbestverwijdering. 2.2 Bpf Bouw is een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). 2.3 De Fondsen zijn belast met de uitvoering en naleving van de cao bouwnijverheid, thans de cao bouw & infra (hierna: de cao bouw), de cao BTER en het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: het verplichtstellingsbesluit). De uitvoering van de hieruit voortvloeiende verplichtingen tot premieheffing is uitbesteed aan Algemene Pensioen Groep N.V. (hierna: APG), voorheen Cordares Diensten B.V. De cao BTER bevat regelingen met betrekking tot het O&O-fonds, het Scholingsfonds en het Aanvullingsfonds op grond waarvan werkgevers, die onder deze regelingen vallen, gehouden zijn tot premiebetaling aan deze fondsen. 2.4 Artikel 1A lid 2a, aanhef en sub 17 van het verplichtstellingsbesluit zoals dat gold van 2005 tot 15 juli 2016 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “(…) ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op productie voor derden op het gebied van (…) asbestverwijdering aan of op bouwwerken, met uitzondering van asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen; (…)”. Sinds 15 juli 2016 luidt deze bepaling, voor zover hier van belang, als volgt: “(…) ondernemingen waarvan het bedrijf gericht is op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op het gebied van (…) asbestverwijdering.” 2.5 Sinds 1999 respectievelijk 2001 was in de werkingssfeerbepalingen in de cao bouw en de cao BTER bepaald dat deze van toepassing zijn op bouwbedrijven waarvan het bedrijf gericht is op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten, waarbij in artikel 1 lid 12 onder aa van de cao bouw en artikel 1 lid 15 sub aa van hoofdstuk 4 van de cao BTER was bepaald dat onder ‘bouwwerken’ c.q. ‘bouwactiviteiten’ verstaan of daarmee gelijkgesteld wordt: ‘asbestverwijdering’. In artikel 2 lid 5 sub 16 van de cao bouw en (hoofdstuk 4 van) de cao BTER werd als uitzondering op deze gelijkstelling vermeld: “asbestverwijdering aan of op bouwwerken, met uitzondering van asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen.” Het hof zal de hier bedoelde uitzondering hierna aanduiden als “de isolatie-uitzondering”. De - algemeen verbindend verklaarde - werkingssfeerbepalingen in de cao bouw en de cao BTER zijn in de loop der tijd gewijzigd. De beperking in artikel 2 lid 5 sub 16 van de cao bouw en (hoofdstuk 4 van) de cao BTER dat het moet gaan om asbestverwijdering “aan of op bouwwerken” is sinds 21 juni 2014 in de cao bouw en sinds 27 september 2012 in de cao BTER komen te vervallen. Ook de isolatie-uitzondering is komen te vervallen, sinds 8 april 2016 in de cao bouw en sinds 1 januari 2016 in de cao BTER. 2.6 Ingevolge artikel I van het verplichtstellingsbesluit inzake deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Metaal en Techniek (hierna: verplichtstellingsbesluit PMT) geldt ingaande 29 april 2015 verplichte deelneming voor “werknemers (…) die werkzaam zijn in ondernemingen, in welke, ongeacht de economische functie, uitsluitend of in hoofdzaak één of meer van de hierna onder sub 1 t/m 17 genoemde werkzaamheden worden uitgeoefend. (…) 14. Het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden (waaronder onder meer preventief) van isolerende materialen - ter voorkoming of beperking van warmte- of koudeverlies, - tegen vuur, vocht, geluid en/of vibratie, Bij industrieën, aan technische installaties en aan boord van schepen, zoals apparaten, kanalen, leidingen, tanks en dergelijke, voorts in ruimten, zoals koel- en vriescellen, ketel- en machineruimten, studio’s en dergelijke”. 2.7 Ingevolge - het algemeen verbindend verklaarde - artikel 6 lid 4 van de cao voor het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het isolatiebedrijf geldt deze cao voor de bedrijfstak van het thermisch en/of akoestisch isolatiebedrijf waaronder wordt verstaan: het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen - ter voorkoming of beperking van warmte- of koudeverlies, -tegen vuur, vocht, geluid en/of vibratie, bij industrieën, aan technische installaties en aan boord van schepen, zoals apparaten, kanalen, leidingen, tanks en dergelijke, voorts in ruimten, zoals koel- en vriescellen, ketel- en machineruimten, studio’s en dergelijke. 2.8 In artikel 2 lid 1 van de per 1 januari 2013 voor het eerst algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao voor de werknemers werkzaam in onderhoud en reiniging in scheepvaart, industrie en milieu en aanverwante activiteiten (hierna: cao orsima) is bepaald dat onder de werkingssfeer valt de onderneming die haar hoofd- of nevenbedrijf maakt van de volgende in lid 2 beschreven werkzaamheden: “(…) a. Industriële reiniging (…); b. Milieuonderhoud, waaronder tenminste te verstaan activiteiten als be- en verwerking van vaste en vloeibare afvalstoffen, bodemsanering en asbestsanering. c. Scheeps- en containeronderhoud, waaronder tenminste te verstaan het handmatig en mechanisch reinigen (…) van schepen (…);” 2.9 Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid (hierna: TBB), opgericht door werknemers- en werkgeversorganisaties in de bouwnijverheid, bevordert en ziet in opdracht van cao-partijen en Bpf Bouw toe op de naleving van het verplichtstellingsbesluit, de cao bouw en de cao BTER. In opdracht van TBB heeft APG onderzocht welke bedrijfsactiviteiten EcoReno verricht en hoe deze zich verhouden tot de verplichtstelling van Bpf Bouw en de werkingssfeer van de cao BTER. APG heeft daartoe op 5 juni 2013 een bezoek gebracht aan EcoReno en op 12 juni 2013 een rapport opgesteld. In dit rapport is geconcludeerd dat EcoReno een samengestelde onderneming is die zich hoofdzakelijk richt op asbestverwijdering, welke bedrijfsactiviteit valt onder de verplichtstelling van Bpf Bouw en de werkingssfeer van de cao BTER. Op basis van dit rapport heeft de commissie werkingssfeer, die is ingesteld door de betrokken cao-partijen, op 20 december 2013 geoordeeld dat EcoReno met ingang van 1 januari 2007 verplicht is tot premiebetaling aan de Fondsen. Het bezwaar dat EcoReno hiertegen heeft gemaakt, is op 11 november 2014 ongegrond verklaard. 2.10 De Fondsen hebben EcoReno tevergeefs gesommeerd tot betaling van de premies vanaf 1 januari 2007. 3Beoordeling 3.1 EcoReno heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd te verklaren voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van de cao bouw, de cao BTER en het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw is gevallen, althans dat zij niet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 gehouden is (pensioen)premies te voldoen, doch eerst per 20 december 2013, met - uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van de Fondsen in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente. De Fondsen hebben daartegen verweer gevoerd en in reconventie, kort samengevat, gevorderd - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - te verklaren voor recht dat EcoReno in ieder geval vanaf 1 januari 2007 onder de werkingssfeer van de sector bouwnijverheid valt, in het bijzonder van het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw, de cao BTER en de cao bouw; EcoReno te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis elektronisch de loon- en premiegegevens aan te leveren van haar werknemers over de loonperioden vanaf 1 januari 2007 op straffe van verbeurte van een dwangsom, en de hieruit volgende (vervangende) premienota’s en kosten te voldoen; en EcoReno te veroordelen tot betaling van nader gespecificeerde bedragen aan premies; alles met veroordeling van EcoReno in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, met nakosten en wettelijke rente. 3.2 De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 13 december 2016 (hierna: het tussenvonnis) overwogen dat “asbestverwijdering aan of op bouwwerken” uitgelegd moet worden als asbestverwijdering in verband met het construeren, renoveren, herstellen of slopen van bouwwerken en soortgelijke werkzaamheden met betrekking tot een bouwwerk, niet als het verwijderen van asbest dat op geen enkele manier constructief verbonden is met een bouwwerk. Bovendien heeft de kantonrechter overwogen dat EcoReno valt onder de isolatie-uitzondering, omdat in de betreffende bepalingen niet valt te lezen dat de uitzondering alleen geldt voor asbestverwijderaars die zelf de isolatie aanbrengen terwijl uit de werkingssfeerbepalingen evenmin valt af te leiden dat deze verband houden met de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit PMT en cao’s die van kracht zijn in de metaalsector. De kantonrechter heeft een oordeel gegeven over de vraag of de door EcoReno in haar als productie 14 bij akte overgelegde overzicht vermelde werkzaamheden van de onderneming onder de werkingssfeer van de aan de orde zijnde regelingen vallen en heeft verondersteld dat partijen op basis van dit oordeel in staat zullen zijn om gezamenlijk te bepalen of EcoReno voor de aan de orde zijnde jaren al dan niet valt onder het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw en de cao BTER. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat de Fondsen slechts gerechtigd zijn tot premieheffing over de periode vanaf de datum dat het EcoReno duidelijk moest zijn dat zij voor aansluiting bij Bpf Bouw in aanmerking kwam en onder de werking van de cao BTER zou vallen, te weten vanaf 1 juni 2013. In het eindvonnis van 13 juni 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat EcoReno niet ingeschreven hoeft te worden bij Bpf Bouw en niet valt onder de werking van de cao bouw en cao BTER. De kantonrechter heeft de vorderingen van EcoReno toegewezen en de vorderingen van de Fondsen afgewezen, met veroordeling van de Fondsen in de proceskosten. 3.3 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen de Fondsen met hun grieven in principaal appel op. Grief 1 is gericht tegen r.o. 6 van het tussenvonnis dat de wijzigingen in de werkingssfeerbepalingen die hebben plaatsgevonden voor de periode ná 2014 in deze procedure niet aan de orde zijn. Grief 2 is gericht tegen het uitgangspunt van de kantonrechter dat alleen asbestverwijdering “aan of op bouwwerken” onder de verplichtstelling van Bpf Bouw en de cao BTER valt. Grief 3 is gericht tegen het uitgangspunt van de kantonrechter dat alleen sprake zou zijn van asbestverwijdering “aan of op bouwwerken” indien de betreffende asbest constructief verbonden is met het bouwwerk. Grief 4 houdt in dat de isolatie-uitzondering inmiddels is vervallen. Grief 5 heeft betrekking op de uitleg van de isolatie-uitzondering. Grief 6 ziet op de kwalificatie van specifieke werkzaamheden van EcoReno in r.o. 17 tot en met 50 van het tussenvonnis. Grief 7 is gericht tegen de beperking van de terugwerkende kracht van de verplichting van EcoReno tot premiebetaling in r.o. 54 tot en met 58 van het tussenvonnis. Grief 8 richt zich tegen r.o. 53 van het tussenvonnis en r.o. 1 tot en met 5 van het eindvonnis waarin de kantonrechter overweegt dat de Fondsen ten onrechte geen gevolg hebben gegeven aan een opdracht van de kantonrechter en hij daarom ervan uitgaat dat het merendeel van de activiteiten van EcoReno niet onder “bouw” valt. Grief 9 is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van EcoReno en de afwijzing van de vorderingen van de Fondsen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.4 Met haar grief in voorwaardelijk incidenteel appel betoogt EcoReno dat de activiteiten in het tussenvonnis vermeld in r.o. 17, 19, 21, 32, 34, 36, 42 en 45 activiteiten zijn die niet vallen onder de regelingen in de bouw. Belang 3.5 EcoReno heeft zich op het standpunt gesteld dat de Fondsen geen belang hebben bij hun grieven omdat zij hebben nagelaten om een grief te richten tegen r.o. 7 en 8 van het tussenvonnis waarin de kantonrechter oordeelt dat het werkingssfeeronderzoek ondeugdelijk is geweest, zodat alsnog deugdelijk moet worden onderzocht en vastgesteld of en zo ja, welke werkzaamheden van EcoReno onder de verplichtstelling van Bpf Bouw en de cao BTER vallen. 3.6 Naar het oordeel van het hof bevatten r.o. 7 en 8 van het tussenvonnis geen dragende overwegingen waarop de kantonrechter zijn beslissing tot afwijzing van de vorderingen van de Fondsen heeft gebaseerd. De kantonrechter heeft zelf een oordeel gegeven over de vraag of en zo ja, welke werkzaamheden van EcoReno onder de verplichtstelling van Bpf Bouw en de cao BTER vallen en tegen dat oordeel zijn de grieven van de Fondsen gericht. Van het ontbreken van belang bij hun grieven aan de zijde van de Fondsen is daarom geen sprake. Werkingssfeer 3.7 Dit geding betreft in de kern de vraag of EcoReno valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw, de cao bouw en de cao BTER, zowel vóór als ná de in r.o. 2.5 en 2.6 genoemde wijzigingen van de werkingssfeerbepalingen in deze regelingen. 3.8 Deze werkingssfeerbepalingen moeten worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm aangezien deze bepalingen mede de rechtspositie van derden beïnvloeden die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van die bepalingen. Zij hebben dus geen invloed kunnen uitoefenen op de inhoud of formulering daarvan, en voor hen kunnen de bedoelingen van de wel bij die totstandkoming betrokken partijen slechts kenbaar zijn uit de in die bedrijfstakregelingen opgenomen bepalingen of bijbehorende schriftelijke toelichting. 3.9 Volgens vaste rechtspraak houdt de cao-norm in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. 3.10 Daarbij is van belang dat aannemelijk is dat de werkingssfeerbepalingen in de betrokken cao’s in de bedrijfstak bouwnijverheid en de bedrijfstak isolatiebedrijven zo zijn geformuleerd dat een overlapping van de werkingssfeer van de cao’s of juist een leemte in de werkingssfeer daarvan zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bovendien worden blijkens de beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, neergelegd in het Toetsingskader Algemeen Verbindendverklaring cao-bepalingen (laatstelijk Stcrt. 2017, nr. 52963), werkingssfeerbepalingen van een cao die overlappen met bepalingen van een andere cao niet algemeen verbindend verklaard en wordt een overeenkomstig beleid gehanteerd voor de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds. (Vergelijk HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0010). 3.11 Voor de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag overweegt het hof allereerst dat asbestverwijdering al jarenlang in zowel het verplichtstellingsbesluit, de cao bouw als in de cao BTER wordt verstaan als of gelijkgesteld wordt met ‘bouwwerken’ c.q. ‘bouwactiviteiten’ en als specifieke bouwactiviteit is opgenomen in beide cao’s. ‘Bouwwerken’ c.q. ‘bouwactiviteiten’ vormen een ruim begrip waaronder blijkens de definitiebepalingen in beide cao’s tal van constructies van bouwkundige aard vallen. Het hof is van oordeel dat er geen grond is om aan te nemen dat de beperking in de werkingssfeerbepalingen dat alleen asbestverwijdering die plaatsvindt ‘aan of op bouwwerken’ onder de werkingssfeer valt, die gold tot 27 september 2012 (cao BTER) respectievelijk 21 juni 2014 (cao bouw) en 15 juli 2016 (verplichtstellingsbesluit), zo moet worden uitgelegd dat het daarbij slechts ging om verwijdering van asbest die constructief verbonden is met een bouwwerk. Ook het verwijderen van asbest dan wel asbesthoudende materialen, die zich bevinden aan of op een bouwwerk zonder daarvan onderdeel uit te maken (al dan niet in de zin van art. 3:4 lid 1 BW), diende daarom hieronder begrepen te worden. 3.12 De werkzaamheden die de kantonrechter in het tussenvonnis heeft beoordeeld, zoals het ontruimen van een bouwwerk en andere voorbereidende werkzaamheden met het oog op asbestverwijdering, het verwijderen van asbesthoudende beplating, golfplaten, plafonds, vensterbanken, ketels, borstwering, vloerbedekking, brandschotten, vloerzeil, behang, bloembakken, tegels en kit, het sluiten van een containerbag en het verwijderen van bestrating of andere losse materialen vielen naar het oordeel van het hof daarom alle onder bedoelde werkingssfeerbepalingen, evenals het coaten van asbesthoudend materiaal. Kenmerkend voor genoemde activiteiten is dat daarbij het verwijderen van asbest aan of op bouwwerken centraal staat. De aard van (het merendeel van) het werk van EcoReno is asbestverwijdering, de overige werkzaamheden (die overigens niet het aanbrengen van isolatie betreffen) van EcoReno maken een ondergeschikt deel uit van haar activiteiten. Inmiddels is de beperking ‘aan of op bouwwerken’ komen te vervallen en valt asbestverwijdering zonder beperking onder de werkingssfeerbepalingen zoals deze thans luiden. De isolatie-uitzondering 3.13 Zoals hiervoor in r.o. 2.4 en 2.5 is vermeld, was in het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw, de cao bouw en de cao BTER tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.