afdeling strafrecht parketnummer: 23-000497-18 datum uitspraak: 23 mei 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-654192-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de stafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiaire ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur te vervangen door 20 dagen jeugddetentie. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair toepassing van het jeugdstrafrecht waarbij er bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op klaarlichte dag in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft in een ruzie met twee andere jongens (waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer]) op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte] een mes uit zijn jaszak gepakt en dat aan [medeverdachte] gegeven. Vervolgens heeft [medeverdachte] met dat mes [slachtoffer] diep in zijn been gestoken. Daarmee is er een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Het slachtoffer heeft door het misdrijf last gehad van fysiek letsel maar ook van psychische gevolgen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij behulpzaam is geweest bij het misdrijf. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat hij begeleid woont in een woning van Spirit en dat hij fulltime werkt in een fabriek waar pitabroodjes worden geproduceerd. Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte op 25 oktober 2016 is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf ter zake van een vermogensdelict dat gepaard ging met geweld. Die veroordeling is onherroepelijk geworden op de dag dat onderhavig feit is gepleegd. Het hof heeft kennis genomen van het over de verdachte in een andere strafzaak uitgebrachte advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 april 2016, van het reclasseringsadvies van 1 maart 2017 en van het recent uitgebrachte reclasseringsadvies van 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.