afdeling strafrecht parketnummer: 23-001922-18 datum uitspraak: 22 maart 2019 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-037511-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2019. Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 22 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 12 kilo hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van ongeveer 190 stuks (zogenoemde) spacecake, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een ander oordeel komt ten aanzien van de bewijsvraag, terwijl ook het vonnis niet is ondertekend door de politierechter die het vonnis heeft gewezen of bij diens ontstentenis, overeenkomstig artikel 365b, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) in verbinding met artikel 367 Sv, door de voorzitter van het gerecht. Bewijsoverweging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de auto van de verdachte onrechtmatig was. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat er onvoldoende objectieve feiten en omstandigheden aanwezig waren op grond waarvan een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit kon worden aangenomen. Hetgeen aldus onrechtmatig is verkregen moet daarom van het bewijs worden uitgesloten. Het hof overweegt als volgt. Het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. 11-13) houdt onder meer het volgende in omtrent de feitelijke gang van zaken. Op 22 februari 2018 reed de verdachte omstreeks 11.00 uur in een Volkswagen Passat over de snelweg A10 te Amsterdam. Daar reden ook de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in een opvallend dienstvoertuig. Het voertuig van de verdachte viel hen op vanwege de hoge snelheid (105 km/u waar 50 km/u was toegestaan). De politieambtenaren gaven de bestuurder op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 een stopteken. Hieraan gaf de bestuurder gevolg. Op het moment dat de verdachte het portier aan de bestuurderskant opendeed, rook [verbalisant 2] een zeer sterke overheersende parfumlucht die door de man uit de auto werd meegevoerd. Hij stapte op de verdachte af en zag daarbij duidelijk dat deze schrok toen hij hem op een afstand van ongeveer één meter naderde. De verdachte sloot gelijk zijn portier en ging tegen het portier aan staan leunen. [verbalisant 2] zag dat de verdachte een contactsleutel in een van zijn handen hield en dat hij met één van zijn vingers dit contactslot activeerde. Hij hoorde duidelijk dat de portieren van het voertuig werden vergrendeld. Op de achterbank van de auto zag [verbalisant 2] twee dichtgeknoopte tassen, ‘shopperbags’, met daarin plastic tassen. Terwijl [verbalisant 2] om de auto liep, hoorde hij wederom dat de auto vergrendeld werd. Het was [verbalisant 2] ambtshalve bekend dat personen die zich bezig houden met de softdrugshandel vaak hennep op een dergelijke wijze vervoeren en verpakken en dat een overdaad aan parfum wordt gebruikt om de geur van hennep te maskeren. Op de vraag van [verbalisant 2] of hij in het voertuig mocht kijken om uit te sluiten dat er verboden goederen in lagen, zei de verdachte dat hij in zijn voertuig mocht kijken. De verdachte opende de achterklep van de auto. Voordat [verbalisant 2] kon zien wat de inhoud van de kofferbak was, werd de achterklep door de verdachte snel weer dichtgegooid. [verbalisant 2] heeft de verdachte vervolgens meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat hij graag op de achterbank van het voertuig wilde kijken. Ook heeft [verbalisant 2] de uitlevering van verdovende middelen gevorderd. De verdachte voldeed niet aan die vordering en hield zijn mond. [verbalisant 2] heeft vervolgens het linker achterportier geopend en rook toen gelijk een sterke kenmerkende hennepgeur. In de dichtgeknoopte tassen zat hennep. Het hof is van oordeel dat op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd politieambtenaar [verbalisant 2] redelijkerwijs kon vermoeden dat zich verdovende middelen in het vervoermiddel van de verdachte bevonden, zodat hij op grond van artikel 9 van de Opiumwet zich de toegang tot de auto mocht verschaffen en deze vervolgens mocht doorzoeken. Het verweer wordt daarom verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 22 februari 2018 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 12 kilo van een materiaal bevattende hennep en ongeveer 190 stuks (zogenoemde) spacecake, bevattende hennep. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het vervoeren van de 190 spacecakes die in zijn auto zijn aangetroffen, omdat op grond van het onderzoek naar het aangetroffen materiaal niet kan worden geconcludeerd of het materiaal is te kwalificeren als een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II. De raadsman heeft daartoe verwezen naar een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010 (ECLI:NL:RBAMS:2010:BQ7174) waarin naar voren komt dat spacecake bereid kan worden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.