afdeling strafrecht parketnummer: 23-004461-16 datum uitspraak: 16 mei 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-260080-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2017, 26 september 2017 en 2 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 26 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] een of meermalen te duwen en/of vast te pakken en/of vast te houden en/of in/op het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit op de grond dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, nu het geconstateerde letsel bij aangever [aangever] niet past bij het slaan door de verdachte en de verklaringen van [aangever] en getuige [getuige] daaromtrent terzijde moeten worden geschoven. Het hof overweegt als volgt. Uit de aangifte van [aangever] , de verklaring van [getuige] en de verklaring van de verdachte volgt dat op 26 december 2015 in de gang van het huis van [getuige] een discussie tussen de verdachte en [getuige] ontstond. Tijdens deze discussie vielen zij op de grond en belandden zij in de slaapkamer van [getuige] . [aangever] liep naar hen toe en riep tegen de verdachte dat hij de woning moest verlaten. De verdachte stond op, gaf [aangever] een duw en pakte hem in een houdgreep bij zijn hoofd, waardoor [aangever] klem zat. Op grond hiervan acht het hof bewezen dat [aangever] door de verdachte is geduwd, vastgepakt en vastgehouden. Het hof acht tevens bewezen dat de verdachte [aangever] in het gezicht heeft geslagen. Twee politieambtenaren hebben gezien en geverbaliseerd dat [aangever] na de worsteling een handdoek tegen zijn rechterwang hield, dat hij op de andere zijde van zijn gezicht een wond had en bloed bij zijn oor aanwezig was. Toen [aangever] de handdoek van zijn rechterwang weghaalde, zagen de politieambtenaren een schaafwond. Het hof stelt vast dat het letsel past bij de verklaringen van [aangever] en [getuige] , zodat deze verklaringen op die grond niet terzijde zullen worden geschoven maar tot het bewijs zullen worden gebezigd. Het hof acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 26 december 2015 te Amsterdam, [aangever] heeft mishandeld door [aangever] te duwen en vast te pakken en vast te houden en in het gezicht te slaan. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken. De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft, na een discussie met zijn voormalige vriendin over het paspoort van hun beider zoon, de partner van haar moeder mishandeld door diens hoofd vast te pakken, hem vast te houden en in het gezicht te slaan. Hierdoor heeft de verdachte het slachtoffer letsel toegebracht en niet alleen hem, maar ook zijn voormalige vriendin angst aangejaagd. Een dergelijk misdrijf – binnen huiselijke kring gepleegd – is bijzonder afkeurenswaardig, nu dat het gevoel van veiligheid dat een ieder in zijn huis behoort te kunnen hebben en de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer aantast. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 april 2019 is hij eerder strafrechtelijk veroordeeld. Aangezien het oude feiten betreft zal het hof dit niet in het nadeel van de verdachte wegen. De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt, mede in het licht van de straffen die rechters aan first offenders bij mishandelingen plegen op te leggen, in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf. In hetgeen de raadsman omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte heeft aangevoerd, vindt het hof geen aanleiding artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, omdat dit geen recht zou doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het hof ziet wel reden om de taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, nu sprake is van aanzienlijk tijdsverloop en de verdachte op overtuigende wijze heeft laten zien hoezeer hij het bewezen verklaarde betreurt en hard heeft gewerkt om de destijds moeilijke verstandhouding tussen hem en zijn voormalige vriendin te verbeteren. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [aangever] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.057,50, bestaande uit € 1.657,50 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.557,50, bestaande uit € 1.357,50 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman van de verdachte heeft de vordering deels betwist en daartoe het volgende gesteld: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.