afdeling strafrecht parketnummer: 23-003846-17 datum uitspraak: 27 juni 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800570-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 38 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 uren hechtenis. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof: - onderstaande bewijsoverweging in de plaats stelt van de bewijsoverweging in het vonnis waarvan beroep onder 3.3; - aan bewijsmiddel III, te weten het proces-verbaal van bevindingen op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en door [verbalisant 2] d.d. 8 december 2015 (dossierpagina’s 9 tot en met 11) de navolgende zin na “(…) eventuele daders aan te houden” toevoegt: “ Tijdens het rijden verklaarde [aangeefster] dat zij bestolen was van € 12.500,00 welke zou zitten in vier enveloppen.” Bewijsoverweging De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken op de grond dat de aangifte van [aangeefster] onbetrouwbaar is en van (voldoende) steunbewijs geen sprake is. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 8 december 2015 rond 11.40 uur in de woning van [aangeefster] was en aldaar vier enveloppen met een inhoud van in totaal € 12.500,00 uit haar handen pakte. De politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien omstreeks 12.06 uur [aangeefster] op hen afrennen. Zij verklaart spontaan: “Ik ben geript. Ze zijn die kant op gegaan” en verder dat zij bestolen was van een bedrag groot € 12.500,00 welke zou zitten in vier enveloppen. De politieambtenaren zijn met [aangeefster] in de door haar aangewezen richting gereden en even later wees [aangeefster] de verdachte aan als degene die het geld van haar zou hebben afgepakt. De verdachte is omstreeks 12.15 (nog geen 10 minuten later) staande- en aangehouden. Bij de fouillering van de verdachte zijn de vier enveloppen met genoemd geldbedrag aangetroffen. Het hof acht de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar omdat deze consistent en gedetailleerd zijn en bovendien bevestiging vinden in de overige bewijsmiddelen, met name gelet op de korte tijdspanne tussen de melding en de aanhouding en de herkenning van de verdachte door [aangeefster] . Het hof heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de inhoud van de daaropvolgende aangifte. Dat de aangeefster, zoals aangevoerd door de raadsman, zwaar drugsgebruiker zou zijn doet hieraan niet af, nu dit niet betekent dat zij niet in staat zou zijn te zeggen wat zij heeft waargenomen en ondervonden. De door de verdachte gegeven lezing dat de aangeefster [aangeefster] het geld aan hem vrijwillig zou hebben overhandigd wordt in het geheel niet onderbouwd en zal door het hof dan ook worden gepasseerd. Het hof zal daarom de verklaringen van de aangeefster [aangeefster] bezigen bij de bewijsbeslissing. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M. Jurgens en mr. A. Beijer, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juni 2019. mr. A. Beijer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.