afdeling strafrecht parketnummer: 23-002146-18 datum uitspraak: 18 september 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-122331-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Jamaica) op [geboortedag] 1990, postadres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] een of meermalen in het gezicht, althans op het hoofd te slaan/stompen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep een wijziging tenlastelegging is toegestaan. Nadere bewijsoverweging De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat weliswaar sprake is van wettig bewijs, maar dat de overtuiging ontbreekt gezien de omstandigheid dat de getuige [getuige 1] bij de politie anders heeft verklaard dan bij de raadsheer-commissaris en zij met de aangever heeft gesproken over het gebeuren. De verklaring van [getuige 1] is daarom niet betrouwbaar. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de raadsman acht het hof de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar en kan deze bijdragen aan het bewijs. Deze getuige, de conducteur van de tram die door de aangever werd bestuurd, heeft zowel bij de politie als ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat ze zag dat de verdachte de aangever een klap in het gezicht gaf. Haar verklaring over de loop van de gebeurtenissen stemt overeen met hetgeen de aangever daarover heeft verklaard. De verdachte en diens vriend, de getuige [getuige 2], hebben een andere feitelijke gang van zaken geschetst, die haaks daarop staat. De verklaringen van de verdachte en diens vriend lopen daarnaast op cruciale onderdelen uiteen. Dit leidt het hof tot de slotsom dat op grond van de verklaringen van de aangever, de getuige [getuige 1] en het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen hierna zal worden vermeld. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 25 juni 2017 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] in het gezicht te slaan. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 750 euro subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan 250 euro subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot diezelfde straf. De verdediging heeft verzocht (voor het geval het hof niet tot vrijspraak komt) de op te leggen boete te matigen of geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft in een tram de bestuurder mishandeld naar aanleiding van een discussie nadat de verdachte niet had ingecheckt. De trambestuurder heeft de verdachte hierop aangesproken en in reactie daarop heeft de verdachte de bestuurder in het gezicht geslagen, waardoor hij pijn heeft ondervonden. De verdachte heeft in het openbaar vervoer jegens iemand die gewoon zijn werk deed op gewelddadige wijze uiting gegeven aan zijn ongenoegen en emoties, hetgeen laakbaar is. Het hof heeft gelet op de straffen die plegen te worden opgelegd ter zake van mishandeling, waarbij het geweld heeft bestaan uit een droge klap of schop met pijn tot gevolg. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een geldboete van € 500,00 genoemd. Dat het slachtoffer een persoon was die een publieke taak uitoefende, weegt het hof in nadeel van de verdachte mee en het komt tot een straf van € 750,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.