GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.235.712/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/614832 / HA ZA 16-912 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 september 2019 inzake 1 [X] , wonende te [woonplaats] ,
(2)een veroordeling van ING tot betaling van deze schade aan hen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [X] c.s. met hun grieven op. 3.2. [X] c.s. hebben daarbij tevens hun eis tot schadevergoeding gewijzigd, in die zin dat zij thans veroordeling van ING vorderen: - primair: tot betaling aan Fipardo en VDMTN van respectievelijk € 180.000,- en € 1.100.000,- (althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, met rente) als vergoeding van de schade die deze vennootschappen hebben geleden door het onderbrengen van hun activa (de cliëntvennootschappen van VDMTN en de dochtervennootschappen van Fipardo) bij andere vennootschappen; - subsidiair, voor zover het primair toe te wijzen bedrag lager is: tot betaling aan VDMH (en [X] en VDT) van € 1.024.116,88 (althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, met rente) als vergoeding van hun afgeleide schade, bestaande in de waardevermindering van hun aandelen in Fipardo en VDMTN; - meer subsidiair, voor zover het primair en/of subsidiair toe te wijzen bedrag lager is: tot betaling aan VDMH van € 1.024.116,88 (althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, met rente) als vergoeding voor de door haar misgelopen koopsom voor de aan Caute Ltd. geleverde aandelen; - nog meer subsidiair, voor zover het voorgaande tot lagere toe te wijzen bedragen leidt: tot betaling aan Wilhelmina van € 975.147,47 (althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, met rente) als vergoeding voor het onverhaalbare deel van de vordering van Wilhelmina uit hoofde van de lening als hiervoor, in 2.6, 2.7 en 2.10 bedoeld ; - uiterst subsidiair: tot betaling van een voorschot op de schade als hiervoor primair, subsidiair en (nog) meer subsidiair gevorderd van € 1.000.000,- en voor het overige schade op te maken bij staat. 3.3. Daarenboven vorderen [X] en VDT aanvullende schade - op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW en - wegens verlies van arbeidsvermogen van [X] in verband met de gevoerde procedures met het oog op het herstellen van zijn aandeelhoudersmacht en het terugkrijgen van “zijn” ondernemingen, althans de waarde daarvan, - alsmede ter vergoeding van gemaakte kosten om VDMH, VDMTN en Fipardo in leven te houden. 3.4. Het hof zal recht doen op de in hoger beroep gewijzigde eis. 3.5. De rechtbank heeft in rov. 3.2 van het vonnis weergegeven welke verwijten [X] c.s. aan ING maken. [X] hebben tegen die weergave geen grief gericht, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Het zesde verwijt in rov. 3.2 luidt dat ING het leeghalen van Fipardo en VDMTN heeft gefaciliteerd. De rechtbank is in rov. 4.10 tot en met 4.16 ingegaan op dit verwijt en heeft geconcludeerd dat het verwijt geen doel treft: de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de in dit verband aan ING verweten gedragingen strijd opleveren met haar contractuele verplichtingen dan wel haar zorgplicht jegens [X] c.s. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [X] c.s. met hun grieven B, C en D en met onderdelen van grief A op. 3.6. Met betrekking tot de overige verwijten die [X] c.s. aan ING maken (zoals omschreven in rov. 3.2 van het vonnis) heeft de rechtbank in rov. 4.17 overwogen dat [X] c.s. niet hebben gesteld dat deze tot enige vorm van schade voor (een van) hen hebben geleid, en dat de verklaringen voor recht derhalve, bij gebrek aan belang, evenmin voor toewijzing in aanmerking komen. Tegen rov. 4.17 hebben [X] c.s. geen grieven gericht – zoals ook ING in haar memorie van antwoord, noot 1 en nr. 1.9 heeft opgemerkt en [X] c.s. bij pleidooi niet hebben bestreden –, zodat in appel als vaststaand heeft te gelden dat de overige verwijten niet tot schade voor [X] c.s. hebben geleid en dat [X] c.s. geen belang hebben bij een verklaring voor recht wat de overige verwijten betreft. 3.7. In appel resteert derhalve slechts de beoordeling van het verwijt dat ING het leeghalen van Fipardo en VDMTN heeft gefaciliteerd. Dat verwijt betreft de wijze waarop ING heeft meegewerkt aan verzoeken tot het omzetten van de EB-pakketten van respectievelijk Fipardo en de door ICM overgenomen cliëntvennootschappen van VDMTN, als hiervoor, in 2.31 en 2.32 omschreven, en de weigering van ING om te voldoen aan de (hiervoor in 2.15, 2.18 en 2.35 vermelde) herhaalde verzoeken van [X] om de bankrekeningen van alle vennootschappen te blokkeren. ING heeft zich niet alleen op het standpunt gesteld dat haar in dit opzicht geen verwijt valt te maken, maar ook dat de aan haar verweten gedragingen niet tot enige schade voor [X] c.s. hebben geleid. Omzetten EB-pakket Fipardo 3.8. Wat Fipardo betreft, stellen [X] c.s. het volgende. Fipardo had tot 11 september 2015 een aantal deelnemingen, de Fipardo-vennootschappen. Voor die vennootschappen en hun handelspartners verzorgde Fipardo het betalingsverkeer. Dat deed zij via haar EB-pakket bij ING. Dit is zo gebleven, ook nadat Fipardo haar aandelen in de Fipardo-vennootschappen op 11 september 2015 had vervreemd aan de (door [Y] beheerste) stichting Aandelenbeheer Caute (zie 2.20). Doordat ING op 6 augustus 2007 het verzoek van Fipardo tot het omzetten van haar EB-abonnement naar Global inwilligde, kreeg Global het feitelijke beheer over het betalingsverkeer van Fipardo en daarmee ook over dat van de Fipardo-vennootschappen en hun handelspartners. Fipardo kon na die omzetting geen betalingsopdrachten meer geven en had ook geen inzage meer in de betalingshistorie. Daarmee is op 6 augustus 2007, twee weken na de beschikking van de OK waarin wanbeleid bij VDMH was vastgesteld, met de deskundige inbreng van ING de activiteit van Fipardo buiten het bereik gebracht van VDMH. VDMH heeft op 4 oktober 2007 de aandelen in Fipardo weer teruggeleverd gekregen van Caute Ltd., maar Fipardo was toen nog slechts een lege huls, op enkele inactieve deelnemingen na. [X] c.s. betwisten niet dat [B] en [A] op 6 augustus 2007 als middellijk bestuurders van Fipardo bevoegd waren om namens Fipardo het verzoek tot omzetting aan ING te doen, maar stellen dat van ING, gelet op wat zij wist omtrent het vennootschappelijk gevecht tussen [X] en [Y] en “de coup” van [Y] ten detrimente van [X] c.s., verwacht had mogen worden dat zij de besluiten dan wel instructies van de door de OK op 3 augustus 2007 benoemde [F] had afgewacht. 3.9. Met ING is het hof van oordeel dat niet valt in te zien dat het door [X] c.s. ondervonden nadeel (als hiervoor in 3.2 vermeld) zou zijn uitgebleven of beperkter was geweest als ING de instructies of besluiten van [F] had afgewacht alvorens de EB-pakketten om te zetten. Dat Fipardo na de teruglevering door Caute Ltd. aan VDMH (op enkele inactieve deelnemingen
- na)een lege huls was, was een gevolg van het feit dat Fipardo reeds op 11 september 2005 haar aandelen in de Fipardo-vennootschappen had vervreemd. Dat Fipardo in waarde is verminderd doordat zij vanaf 6 augustus 2007 niet meer over de betaalrekeningen van de (klanten van
- de)Fipardo-vennootschappen kon beschikken en geen inzage meer had in de historie van die rekeningen, is gesteld noch gebleken. Evenmin valt in te zien dat Fipardo weer de beschikking had kunnen krijgen over (een deel van) de Fipardo-vennootschappen of hun activiteiten als ING had nagelaten haar medewerking aan de omzetting van het EB-pakket te verlenen zoals zij heeft gedaan. Het ligt veeleer voor de hand dat de Fipardo-vennootschappen – die door [Y] werden beheerst – en hun klanten dan zelf het beheer over hun bankrekeningen bij ING ter hand hadden genomen of dat beheer aan Global hadden gegeven of voor een andere bank hadden gekozen. Hoe dat ook zij, het had in het licht van het debat tussen partijen op de weg van [X] c.s. gelegen om gemotiveerd te betogen dat zij als gevolg van de medewerking van ING aan het omzetten van het EB-pakket van Fipardo schade hebben geleden, althans (gelet op hun uiterst subsidiaire vordering) dat de mogelijkheid aannemelijk is dat zij als gevolg van die medewerking schade hebben geleden. Aan die stelplicht hebben zij niet voldaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook niet is gesteld of gebleken dat [F] , indien hij op 6 augustus 2007 door ING was geïnformeerd over het verzoek van [B] en [A] aan ING, had kunnen of willen ingrijpen om de omzetting van het EB-pakket van Fipardo te voorkomen. Uitgangspunt moet zijn dat besluiten of instructies van [F] met betrekking tot Fipardo eerst vanaf 4 oktober 2007 konden worden gegeven. [F] is door de OK immers uitsluitend tot bestuurder van VDMH (en van haar moedervennootschap VDCDG) benoemd, terwijl Fipardo ten tijde van zijn aantreden geen dochtervennootschap van VDMH meer was. De aandelen in Fipardo waren immers op 15 augustus 2005 geleverd aan Caute Ltd. en Caute Ltd. heeft die aandelen eerst op 4 oktober 2007 aan VDMH teruggeleverd. Gesteld al dat van ING verlangd kan worden dat zij, gelet op hetgeen zij wist of behoorde te weten omtrent het vennootschappelijk gevecht tussen [X] en [Y] , een bevoegdelijk namens Fipardo gedaan verzoek tot omzetting van het EB-pakket van Fipardo gedurende twee maanden aanhoudt met het oog op de belangen van [X] c.s., vooruitlopend op een mogelijke (maar onzekere) teruglevering van de aandelen in Fipardo aan VDMH, en dat de Fipardo-vennootschappen en hun klanten in de tussentijd het beheer over hun bankrekeningen niet reeds zelf anders geregeld zouden hebben, dan dient nog steeds de vraag beantwoord te worden of [F] op of na 4 oktober 2007 aanleiding had gezien het omzetten van het EB-pakket te blokkeren. Zonder een toelichting, die ontbreekt, kan die vraag niet bevestigend worden beantwoord. [X] c.s. hebben onvoldoende toegelicht welk doel daarmee zou zijn gediend. 3.10. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat de verwijten die [X] c.s. aan ING maken in verband met de omzetting van het EB-pakket van Fipardo naar Global hebben geleid tot (de mogelijkheid van) schade voor [X] c.s. als vermeld in 3.2, zodat hun vorderingen tot vergoeding van die schade moeten worden afgewezen. 3.11. Bij pleidooi hebben [X] c.s. nog een beroep gedaan op de rechtsregel van proportionele aansprakelijkheid: volgens hen bestaat er een aanmerkelijke kans dat de geleden schade is veroorzaakt door de aan ING verweten normschending(
- en)en moet de onzekerheid over dit causaal verband over partijen worden verdeeld. Voor toepassing van deze rechtsregel bestaat in dit geval echter geen aanleiding, mede gelet op de aard van de door [X] c.s. geleden schade en de strekking van de normen die volgens [X] c.s. zijn geschonden. Bovendien is niet aannemelijk dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de gestelde schade door de eventuele normschending(
- en)is veroorzaakt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.9 is overwogen. Omzetten EB-pakketten van de door ICM overgenomen cliëntvennootschappen van VDMTN 3.12. Wat VDMTN betreft, stellen [X] c.s. het volgende. [Y] heeft na de beschikking van de OK van 24 juli 2007 de onderneming van VDMTN, een trustbedrijf, grotendeels overgeheveld naar een door hem beheerste vennootschap, ICM, door cliëntvennootschappen van VDMTN te laten overstappen naar ICM. Dat gebeurde door VDMTN als bestuurder van die cliëntvennootschappen te vervangen door ICM. In haar nieuwe hoedanigheid van bestuurder van de cliëntvennootschappen heeft ICM vervolgens ING verzocht om via haar EB-systeem het beheer over de bankrekeningen van de cliëntvennootschappen te krijgen. Een eerste verzoek daartoe heeft ICM op 4 december 2007 gedaan. Dat verzoek betrof het leeuwendeel van de actieve cliënten. ING heeft dat verzoek ingewilligd – conform een eerder gedane toezegging om de overgang soepel te laten verlopen – maar had zich daarvan moeten onthouden, gelet op wat zij wist omtrent het vennootschappelijk gevecht en het plan van [Y] om VDMTN te ontmantelen en aldus de positie van [X] (als middellijk aandeelhouder, tevens financier van VDMH met een conversierecht, tevens houder van een pandrecht op de aandelen in VDMTN) nog verder te ondermijnen. Ook latere verzoeken zijn door ING ingewilligd. Daarbij heeft ING volgens [X] c.s. steeds onvoldoende customer due diligence betracht en ten onrechte geen verifieerbare opdracht van de ultimate beneficial owner van de cliëntvennootschappen geëist. Gelet op de handelwijze van ING bij het omzetten van het EB-pakket van Fipardo moet voorts worden aangenomen dat ING op grond van de EB-contracten verplicht was voor omzetting (ook) de instemming van VDMTN als voormalig bestuurder te vragen. ING had volgens [X] de verzoeken niet mogen inwilligen, althans op 4 december 2007 contact moeten opnemen met [F] (die weliswaar geen bestuurder van VDMTN meer was, maar wel nog beschikte over een door de OK verstrekte tijdelijke volmacht om VDMTN te vertegenwoordigen in haar betrekkingen met ING, zie 2.34) dan wel [G] (die over eenzelfde volmacht beschikte, zie 2.34), of [X] moeten waarschuwen, zodat zij maatregelen hadden kunnen nemen om de uittocht tegen te gaan. Desgevraagd heeft [X] ter zitting aan het hof nog toegelicht dat hij dan cliëntvennootschappen had kunnen benaderen met het doel hun overstap naar een ander trustkantoor te voorkomen of dat hij dan een kort geding tegen ICM had kunnen voeren met het doel een verbod te krijgen om de uittocht te voorkomen. De wijze waarop ING het omzetten van de bankrekeningen van de cliëntvennootschappen heeft begeleid is volgens [X] c.s. (mede)oorzaak van hun schade als hiervoor in 3.2 omschreven. 3.13. Dit laatste acht het hof echter met ING onvoldoende toegelicht. Het vertrek van de cliëntvennootschappen van VDMTN vond niet plaats als gevolg van de omzetting van hun EB-pakketten, maar doordat de cliëntvennootschappen zelf, geheel buiten ING om, VDMTN als hun bestuurder hebben vervangen door ICM. Dat ING na die vervanging nog de instemming van VDMTN als voormalig bestuurder of van [X] nodig had voor de uitvoering van een bevoegdelijk door de nieuwe bestuurder namens de cliëntvennootschappen aan haar gedaan verzoek, valt niet in te zien en dat is door [X] c.s. ook niet in de vereiste concrete zin gesteld. Overigens kan uit de gang van zaken bij het omzetten van het EB-pakket van Fipardo – anders dan [X] c.s. menen – ook niet worden afgeleid dat ING op grond van de EB-contracten van de cliëntvennootschappen van VDMTN verplicht was de instemming van VDMTN als voormalig bestuurder te vragen. 3.14. [X] c.s. stellen dat de uittocht niet of op beperkter schaal zou hebben plaatsgevonden indien ING het verzoek tot medewerking aan het omzetten van het EB-pakket niet (aanstonds) had ingewilligd. Zij voeren daartoe aan dat de cliëntvennootschappen niet direct bij een andere bank als nieuwe cliënten zouden zijn geaccepteerd omdat ICM op dat moment nog niet beschikte over alle stukken die andere banken volgens de destijds geldende regelgeving verplicht waren te eisen. Daargelaten of dat juist is – ING betwist deze stelling – is daarmee nog niet voldoende toegelicht dat dit ertoe zou hebben geleid dat de vervanging van VDMTN door ICM als bestuurder van deze cliëntvennootschappen weer ongedaan zou zijn gemaakt. Hierbij is onder meer van belang dat niet is gesteld of gebleken dat de cliëntvennootschappen ICM niet in het bezit van de vereiste stukken konden of wilden stellen of dat zij niet wensten over te stappen van VDMTN naar ICM. 3.15. Ter zitting is gebleken dat er geen pogingen zijn ondernomen door VDMTN, [F] of [X] c.s. om de vertrokken cliëntvennootschappen voor VDMTN te behouden of naar VDMTN terug te halen. Dat dit anders zou zijn geweest als ING op 4 december 2007 VDMTN, [F] en/of [X] c.s. op de hoogte had gesteld van het eerste verzoek van ICM tot omzetting van EB-pakketten, is niet voldoende toegelicht. Hierbij is van belang dat vaststaat (zie onder 2.34) dat [F] in zijn eindverslag van 1 december 2007 reeds vermeldde dat veel klanten van VDMTN de relatie met VDMTN hadden opgezegd en hun portefeuille elders hadden ondergebracht, ook bij instellingen waarbij [Y] op enige wijze was betrokken. [F] vermeldde verder dat de actieve, initiërende medewerking van [Y] bij het vertrek van de cliëntvennootschappen evident is. In het licht van deze vaststaande feiten valt – zonder een nadere toelichting, die ontbreekt – niet in te zien dat een mededeling van ING aan [F] of [X] c.s. van het eerste verzoek tot omzetting van EB-pakketten op 4 december 2007 had geleid tot acties tot behoud of terugkeer van cliëntvennootschappen. 3.16. Evenmin is (gemotiveerd) gesteld dat dergelijke acties waarschijnlijk of mogelijk succesvol zouden zijn geweest. Dit klemt te meer nu VDMTN eind 2007 niet beschikte over een vergunning op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), terwijl ICM eind 2007 wel over een dergelijke vergunning beschikte. Verder staat vast dat De Nederlandsche Bank in de loop van 2008 geweigerd heeft VDMTN een Wtt-vergunning te verlenen. Voorts is gesteld noch gebleken dat [X] eind 2007 (nog) over een goede ingang bij de vertrokken cliëntvennootschappen beschikte of – via derden – kon beschikken. De cliëntcontacten waren voor VDMTN onderhouden door [Y] en andere voor VDMTN werkzame personen, die de uittocht juist in gang hebben gezet en (kennelijk) de cliëntvennootschappen tot een overstap naar ICM hebben weten te bewegen. 3.17. De vordering tot vergoeding van de in 3.2 vermelde schade kan derhalve ook niet worden gebaseerd op de verwijten die [X] c.s. aan ING maken ter zake van het omzetten van de EB-pakketten van de cliëntvennootschappen van VDMTN. Het beroep van [X] c.s. op de rechtsregel van proportionele aansprakelijkheid wordt afgewezen op de in 3.11 vermelde gronden. Weigering om bankrekeningen te blokkeren 3.18. Voor zover [X] c.s. aan ING verwijten dat zij in september 2005 niet is ingegaan op verzoeken van [X] om de bankrekeningen van alle vennootschappen te blokkeren en deze vervolgens ook geblokkeerd te houden, hebben zij niet toegelicht waarom ING gehouden was hieraan op dat moment gevolg te geven. Daarbij moet worden bedacht dat [X] destijds niet bevoegd was (een van
- de)betrokken vennootschappen te vertegenwoordigen. Evenmin is voldoende toegelicht dat met de verzochte blokkade zou zijn voorkomen dat Fipardo op 11 september 2005 haar aandelen in de Fipardo-vennootschappen had vervreemd of dat de cliëntvennootschappen van VDMTN ruim twee jaar later waren overgestapt naar ICM. Gesteld noch gebleken is ten slotte dat [X] c.s. schade hebben geleden doordat gelden aan de betrokken bankrekeningen zijn onttrokken. Voor zover het verwijt van [X] c.s. betrekking heeft op het verzoek van [X] van 13 december 2007 om alle bankrekeningen te blokkeren, faalt het evenzeer. Dat verzoek heeft ING immers ingewilligd (Zie hiervoor, 2.35). Gesteld noch gebleken is dat ING de blokkade vervolgens ten onrechte heeft opgeheven, en evenmin dat [X] c.s. daardoor schade hebben geleden. Aanvullende schade en verklaringen voor recht 3.19. Gelet op hetgeen hiervoor, in 3.9-3.11 en 3.13-3.18, is overwogen kan ING ook niet worden gehouden tot het vergoeden aan [X] en VDT van schade op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW, wegens verlies van arbeidsvermogen van [X] in verband met de gevoerde procedures, of ter vergoeding van gemaakte kosten om VDMH, VDMTN en Fipardo in leven te houden (zie hiervoor, in 3.3). 3.20. Van een belang van [X] c.s. bij de gevorderde verklaringen voor recht, anders dan het verkrijgen van schadevergoeding, is niet gebleken. Dat betekent, naar ING terecht heeft aangevoerd, dat ook de verklaringen voor recht moeten worden afgewezen. 3.21. De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden en worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd. Slotsom 3.22. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Hetgeen [X] c.s. in hoger beroep meer of anders gevorderd hebben dan in eerste aanleg, zal worden afgewezen. [X] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in appel. 4Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af; veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 5.270,- aan verschotten en € 16.503,- voor salaris; verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mr. G.C.C. Lewin, J.M. de Jongh en A.P. Schoonbrood-Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.