GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.261.430/01 SKG zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/666722 / KG ZA 19-539 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 oktober 2019 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. J.D. Poot te Amsterdam, tegen 1vennootschap onder firma GLAZENWASSERIJ [X] , 2. [geïntimeerde sub 2 ], 3. [geïntimeerde sub 3], alle gevestigd respectievelijk wonend te Almere, geïntimeerden, advocaat: mr. M. Kashyap te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en (in mannelijk enkelvoud) [geïntimeerde] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 19 juni 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2019, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie overeenkomstig de appeldagvaarding, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 augustus 2019 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering in eerste aanleg, strekkende tot een bouwstop, zal toewijzen en [geïntimeerde] als na te melden zal veroordelen tot gedeeltelijke afbraak van zijn pand, met restitutie van hetgeen [appellant] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, de nakosten daarin begrepen, met wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. [appellant] is eigenaar van een bedrijfspand aan [adres 1] , dat sinds 2013 wordt verhuurd aan Keukenloods 5 B.V. (verder: Keukenloods). Het bedrijfspand is in 1980 gebouwd en lag toen zowel aan de achterkant als met een zijgevel aan de openbare weg de [straat] , die daar een bocht maakte. In die zijgevel zitten op de begane grond vijf ramen en op de eerste verdieping acht. In de andere zijgevel, die direct grenst aan een buurperceel, zitten geen ramen. 2.2. Bij een herindeling is de [straat] verplaatst. Sindsdien loopt deze niet meer direct langs de zijgevel van [adres 1] , maar een eind daarvan af, waardoor tussen dat pand en de openbare weg een perceel grond voor uitgifte is vrijgekomen. Op een kadastrale kaart van december 2011 staat dat nieuwe perceel reeds ingetekend. 2.3. In de zomer van 2018 is het nieuwe perceel, inmiddels [adres 2] , gekocht door [geïntimeerde] . Nadat op 28 november 2018 een omgevingsvergunning was verkregen, is de door [geïntimeerde] ingeschakelde aannemer op 16 mei 2019 gestart met de bouw van een bedrijfspand. 2.4. Ten tijde van de behandeling in hoger beroep was de bouw van de buitenschil van het pand aan de [adres 2] voltooid. Dit pand staat op één meter van het bedrijfspand van [appellant] , langs de zijgevel met ramen, en is ongeveer even hoog als het pand van [appellant] . Partijen verschillen van mening over de mate waarin de afwerking aan de binnenzijde van het pand al is afgerond. 2.5. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de aan [geïntimeerde] verstrekte omgevingsvergunning. Een hoorzitting is nog niet bepaald. 2.6. De percelen van partijen liggen op een industrieterrein in [locatie] . De bestemming van het pand van [appellant] is in juli 2014, met ingang van 16 november 2011, gewijzigd van ‘bedrijfspand ten behoeve van een schilders- en afwerkingsbedrijf’ in ‘showroom van maximaal eenduizendzes vierkante meter brutovloeroppervlak (1.006 m2 BVO)’. 3Beoordeling 3.1. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen toelating van twee van de vier producties (producties 15 en 16) bij de brief van mr. Kashyap van 13 augustus 2019 (daterend van twee dagen voor de pleitzitting in hoger beroep) omdat deze producties te laat zijn ingediend. Het hof honoreert dat bezwaar, omdat producties in een spoedappel uiterlijk vier dagen voor de zitting door het hof en de wederpartij moeten zijn ontvangen op grond van artikel 9.1.10 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en deze producties al eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht. Dat betekent dat de producties genummerd 15 en 16 niet worden toegelaten. 3.2. In de eerste aanleg van de procedure heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld alle bouwwerkzaamheden op het perceel [adres 2] te staken en gestaakt te houden en geen (nieuwe) werkzaamheden meer uit te (laten) voeren, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist dat deze geoorloofd zijn, onder in goede justitie te bepalen voorwaarden. 3.3. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen en [appellant] belast met de proceskosten. Daartoe is in essentie het volgende overwogen. Artikel 5:50 lid 4 BW is niet van toepassing, omdat de door [appellant] gestelde hinder niet ziet op verminderd uitzicht maar op vermindering van lichtinval. Aan de orde is de vraag of onrechtmatige hinder bestaat als bedoeld in de artikelen 5:37 en 6:162 BW. Het pand van [appellant] is bijna veertig jaar een hoekpand geweest met onbeperkt zonlicht op de zijgevel en de bijbehorende lichtinval via de ramen. Als daarnaast, op een afstand van één meter, een ongeveer even hoog pand komt is het nagenoeg gedaan met die lichtinval. Dit is echter in de eerste plaats het gevolg van de herindeling, die kennelijk al in 2011 was voorzien, waardoor het pand van [appellant] niet meer grenst aan de openbare weg, maar aan een (bouw)perceel. De mate van hinder die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend kan dan ook niet zonder meer worden bepaald door de lichtinval in de oude situatie te vergelijken met die in de nieuwe situatie. Het ligt meer voor de hand te kijken wat een gebruikelijke afstand is tussen percelen op een industrieterrein als dit. [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat de percelen met de lager gelegen nummers aan de [straat] allemaal pal naast elkaar staan. Anders dan die percelen heeft het pand van [appellant] ramen in de zijgevel, die geoorloofd blijven, ook nu het pand aan die zijde niet meer aan de openbare weg grenst. De huidige huurder, Keukenloods, heeft de ramen in de zijgevel afgeplakt. [appellant] stelt terecht dat het hem als eigenaar gaat om de verhuurbaarheid van het pand, zodat niet doorslaggevend is wat de huidige huurder met de ramen doet. Niettemin blijkt hieruit dat de begane grond ook zonder noemenswaardige lichtinval via de ramen in de zijgevel langdurig verhuurbaar is. De bovenverdieping wordt op dit moment volledig gerenoveerd om aan een derde partij te worden verhuurd. In het verleden zou een huurder daar vaak zijn kantoor hebben ingericht. De zijramen op de eerste verdieping waren enige tijd met donkere folie afgeplakt tegen de zon. Deze ramen zullen na de bouw van het pand van [geïntimeerde] nog de meeste lichtinval hebben, maar aanzienlijk minder dan tot nu toe. Eventuele schade van [appellant] zal dan ook bestaan in verminderde verhuurbaarheid. Overigens is lichtinval niet per se nodig voor de bestemming showroom en kunnen kantoorruimten ook worden ingericht aan de voor- en achterkant van het gebouw, waar wel lichtinval is. Ten slotte is het maar de vraag of en in hoeverre de verhuurbaarheid weer zou verbeteren als [geïntimeerde] een grotere afstand, bijvoorbeeld van twee meter zou aanhouden. Daar staat tegenover dat iedere meter die het bedrijfspand van [geïntimeerde] van de erfgrens wordt afgebouwd, een vermindering betekent van ongeveer 46 m² bedrijfsoppervlakte. Verder is van belang dat [geïntimeerde] aanvankelijk best bereid was om zijn bedrijfspand een flink stuk op te schuiven, maar dit vanwege in de grond aanwezige stroomdata- en waterleidingen niet mogelijk bleek. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, is het niet zodanig aannemelijk dat de bodemrechter tot onrechtmatige hinder zal concluderen, dat daarop in dit kort geding kan worden vooruitgelopen met een verstrekkende maatregel als de gevorderde bouwstop. 3.4. Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. Hij heeft in hoger beroep, naast het alsnog toewijzen van de in eerste aanleg gevorderde bouwstop, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld de al uitgevoerde bouwwerkzaamheden op of aan de [adres 2] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover deze zijn gelegen binnen vier meter van zijn perceel aan [adres 1] . 3.5. [appellant] heeft ter toelichting op zijn grieven, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De door [geïntimeerde] aan hem toegebrachte hinder is onredelijk op grond van artikel 5:50 lid 4 BW, dan wel onrechtmatig op grond van de artikelen 5:37 en 6:162 BW. [geïntimeerde] had bij de bouw van zijn pand rekening moeten houden met de lichtinval in het pand van [appellant] , waarop hij in een vroeg stadium is gewezen. Dat heeft hij niet gedaan. De mate van hinder dient te worden bepaald door de lichtinval in de nieuwe situatie te vergelijken met die in de oude situatie. Overigens zijn niet alle panden ter plaatse pal naast elkaar gebouwd. In hetzelfde blok aan de [straat] komen ook afstanden tussen panden voor van respectievelijk vier meter, vijf meter en tien meter. De voorzieningenrechter heeft de relevante omstandigheden verkeerd gewogen en is daarbij uitgegaan van onjuiste informatie. Het bouwen van een pand op één meter afstand van (de ramen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.