Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-003653-18 Datum uitspraak: 20 september 2019 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741121-18 en 13-665224-17 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1987, thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Middelburg. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden toegewezen. Beoordeling Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit bevestigen, met dien verstande dat het hof naar aanleiding van een nieuw standpunt van de verdediging in hoger beroep, als volgt overweegt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nu erkent dat hij met de bankpas en de pincode van de aangeefster een aantal keren geld van haar bankrekening heeft afgehaald (feit 2), maar dat hij nog steeds ontkent dat hij degene was die in de woning van aangeefster haar pincode heeft ontfutseld en haar bankpas heeft gestolen. De raadsman heeft daarom vrijspraak bepleit van feit 1 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.