← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:3789

afdeling strafrecht parketnummer: 23-003725-18 datum uitspraak: 18 oktober 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-158140-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de tot vrijspraak strekkende vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 8 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen haar hoofd en/of lichaam te slaan, haar in haar onderarmen te knijpen en/of haar op haar lichaam te krabben. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de aangeefster, [slachtoffer], heeft mishandeld. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Op grond van de verklaringen van de verdachte en de aangeefster kan worden vastgesteld dat de verdachte en de aangeefster een woordenwisseling hebben gehad in een één-op-één situatie, waarbij er fysiek contact tussen hen is geweest en beiden ten gevolge daarvan letsel hebben opgelopen. Naar het oordeel van het hof kan echter niet met voldoende precisie worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, in het bijzonder waar het gaat om het initiatief tot het hiervoor bedoelde fysieke contact. Zo kan de door de verdachte geschetste gang van zaken niet als onaannemelijk ter zijde worden geschoven, zodat naar het oordeel van het hof ook de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte niet is komen vast te staan. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof – met de advocaat-generaal en de verdediging – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. M.J.A. Duker en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 oktober 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.