Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001506-18 Datum uitspraak: 19 september 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701785-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1989, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte heeft de raadsvrouw hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1primairhij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een beschadigde oorschelp en/of een stuk van het oor af, een snee in de wang en/of een snee in de hals), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet een (kapotte) fles (met kracht) in/op/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd, van voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en/of te slaan; 1subsidiairhij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (kapotte) fles (met kracht) in/op/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegooid en/of geslagen; 1meer subsidiairhij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] met een (kapotte)fles (met kracht) in/op/tegen het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd te gooien en/of te slaan; 2primairhij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (kapotte) fles (met kracht) op/tegen de handen, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gegooid en/of geslagen; 2subsidiairhij op of omstreeks 27 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] met een (kapotte) fles (met kracht) op/tegen de handen, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] te gooien en/of te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen en overwegingen komt dan de rechtbank. Bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2 Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte met kracht een glazen fles heeft gegooid in de richting van een persoon in een ruimte waar veel personen aanwezig waren. De verdachte heeft met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een ander zou worden geraakt én letsel zou oplopen. Met betrekking tot aangever [slachtoffer 1] is sprake van zwaar lichamelijk letsel. Een litteken in het gezicht valt onder zwaar lichamelijk letsel. Gelet op het letsel aan de handen van de verdachte was de fles al stuk toen de verdachte deze gooide. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De verdachte heeft niet het (voorwaardelijk) opzet gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Evenmin heeft hij (voorwaardelijk) opzet gehad om [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] pijn of letsel toe te brengen. De verdachte wilde zijn belager, niet zijnde [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2], van zich afhouden. Voorts kunnen de verwondingen aan de hand van [slachtoffer 2] niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, aangezien er geen blijvend letsel zal zijn. Het oordeel van het hof Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 27 april 2016 omstreeks 02:30 uur stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naast elkaar bij een trap in club [club] te Amsterdam. De verdachte stond op enkele meters afstand van beiden op een kleine verhoging, een podiumpje/opstapje, onderaan de trap. Op enig moment had hij een fles in zijn handen die hij bij de hals vasthield als een soort knuppel en gooide deze met kracht in de richting van [slachtoffer 1]. De fles kwam vol in de kaaklijn en hals van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] heeft hierdoor zware verwondingen opgelopen: een grote snee in zijn wang, een beschadigde oorschelp en een snee in zijn hals. [slachtoffer 2] is ook door deze fles geraakt toen hij deze af wilde weren om te voorkomen dat [slachtoffer 1] geraakt werd. [slachtoffer 2] heeft daarbij snijwonden opgelopen, waaronder een diepe snijwond tussen wijsvinger en duim. Uit het voorgaande (waaronder begrepen de aard van de verwondingen bij de slachtoffers) blijkt dat de verdachte van korte afstand met aanzienlijke kracht een fles heeft gegooid in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Uit dit handelen van de verdachte leidt het hof, anders dan de raadsman, af dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij deze personen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, hetgeen ook daadwerkelijk het geval bleek te zijn bij [slachtoffer 1], die onder meer een blijvend litteken in het gezicht opliep. Dat het letsel bij [slachtoffer 2] uiteindelijk relatief beperkt is gebleven is niet aan de verdachte te danken. Het hof merkt nog op dat de omstandigheid dat de verdachte stelt (ook) een belager te hebben willen afschrikken aan het voorgaande niet afdoet. Ook doet aan het voorgaande niet af dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid of de fles al dan niet reeds vóór het raken van de hand van [slachtoffer 2] gebroken was nu het gooien hiervan op de wijze als hierboven omschreven in beide gevallen een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het leven roept en in beide gevallen de aanvaarding van deze kans kan worden afgeleid uit het handelen van de verdachte. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen en het hof acht dan ook het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1primairhij op 27 april 2016 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadigde oorschelp, een snee in de wang en een snee in de hals, heeft toegebracht, door met dat opzet een fles met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te gooien; 2 2 primairhij op 27 april 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een fles met kracht tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gegooid. Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: zware mishandeling. Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – geen gevangenisstraf op te leggen, omdat dit een onevenredig zware straf is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in een loopbaantraject zit, net zijn studies [opleiding 1] en [opleiding 2] heeft afgerond en op de lijst van registeraccountants wil komen. Daar zijn integriteitseisen aan verbonden. Hij werkt hier al jaren naartoe. Bovendien heeft de zaak een enorme impact op de verdachte gehad. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in de nacht van 27 april 2016 tijdens het uitgaan schuldig gemaakt aan zware mishandeling en een poging daartoe. Hiertoe heeft de verdachte in een drukke club, op Koningsnacht, een fles in de richting van anderen gegooid. Daarbij is eerst [slachtoffer 2], die de fles probeerde af te weren, aan zijn handen verwond. Daarna is de fles tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gekomen. [slachtoffer 1] heeft daardoor ernstige verwondingen aan zijn oor, wang en hals, en kaakletsel opgelopen. De verdachte heeft hierdoor de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Bovendien kunnen slachtoffers van dergelijk geweld naast fysieke ook nog lang psychische nadelige gevolgen ervaren. [slachtoffer 1] zal ook in de toekomst worden geconfronteerd met het litteken in zijn gezicht en hij heeft nog pijnklachten. Daarnaast maakt dergelijk agressief gedrag in de regel grote indruk op omstanders die aanwezig zijn bij de geweldsexplosie. Ook worden door incidenten als de onderhavige de gevoelens van onveiligheid bij degenen die hiervan getuige zijn aangewakkerd. Gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, is naar het oordeel van het hof in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur gerechtvaardigd. Het hof heeft echter in het voordeel van de verdachte ook acht geslagen op de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze naar voren zijn gekomen ter terechtzitting in hoger beroep. Hij werkt full time en lijkt zijn leven op de rit te hebben. Bovendien is hij, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2019, niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit en na 2016 niet meer (aantoonbaar) met politie en justitie in aanraking gekomen. Het hof ziet daarin aanleiding om ten gunste van de verdachte af te wijken van de eis van de advocaat-generaal. Het hof acht, alles afwegende, een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat het hof, met name gelet op de ernst van het feit, in hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht geen aanleiding ziet een (nog) lagere straf op te leggen dan de hieronder bedoelde en dat niet volstaan kan worden met uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.108,05, bestaande uit een voorschot op de vergoeding van € 4.108,05 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.608,05, bestaande uit € 4.108,05 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering tot betaling van schadevergoeding aan materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten: Kleding € 150,00; Eigen risico € 404,15; Medische hulpmiddelen (niet vergoed) € 25,90; Kosten psycholoog € 178,00; Reiskosten € 50,00; Toekomstige medische behandelingen: deze post is ter terechtzitting in eerste aanleg verhoogd tot een bedrag van € 3.300,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.