afdeling strafrecht parketnummer: 23-002378-17 datum uitspraak: 23 oktober 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 juni 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-870520-16 en 14-700788-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1982, postadres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primairhij op of omstreeks 12 maart 2016 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snijwond en/of een slagaderlijke bloeding en/of enig ander zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door deze (met kracht) met een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp, in het been te steken; subsidiairhij op of omstreeks 12 maart 2016 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door deze (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been te steken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snijwond en/of een slagaderlijke bloeding en/of enig ander zwaar lichamelijk letsel, ten gevolge heeft gehad; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bespreking van het bewijsverweer De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk met een mes in het been van de aangever heeft gestoken. De verdachte heeft erkend dat door zijn toedoen de aangever gewond is geraakt maar geeft aan dat het een ongeluk is geweest. Het hof oordeelt als volgt. In hoger beroep staat vast dat door toedoen van de verdachte een mes in het onderbeen van aangever [slachtoffer] terecht is gekomen waardoor deze [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte opzettelijk met het mes in het onderbeen van [slachtoffer] heeft gestoken of dat dit een ongeluk is geweest. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] zelf met 112 heeft gebeld en dat hij heeft gemeld dat hij is neergestoken, dat hij in zijn been is gestoken en dat hij uit de woning aan de [adres 2] te Zuid-Scharwoude is weggerend en dat zijn vriendin daar nog is. Verder heeft [naam], de (toenmalige) vriendin van de verdachte verklaard dat ‘de steker’ een mes pakte, dat [slachtoffer] riep: ‘wat doe je’, en dat ze toen naar buiten rende. Ze zag bloed. Verder heeft [naam] verklaard dat het mes van de koksopleiding was van [slachtoffer] en ze niet weet waar de steker die vandaan pakte. Ze heeft het steken niet gezien, omdat ze weg keek. Ze heeft wel gezien dat er bloed op het mes zat. Alleen de steker had volgens [naam] een wapen en [slachtoffer] niet. In tegenstelling tot de rechtbank zal het hof de verklaring van [naam] wel bezigen voor het bewijs. Deze eerste verklaring van [naam] is direct na het incident afgelegd zodat haar verklaring nog niet door externe factoren zal zijn beïnvloed, en haar verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, te weten de 112 melding van [slachtoffer] dat hij is gestoken en de verklaring van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep dat het mes bebloed was. Verder heeft [naam] verklaard dat zij het moment van het steken niet heeft gezien, omdat ze toen weg keek. Haar verklaring omtrent de overige gebeurtenissen die avond strookt tevens met andere verklaringen (te weten de ruzie over de xtc-pil die de verdachte aan [naam] heeft gegeven, de mensen die er die avond waren, in welke opstelling men op de bank zat en de ruzie over de hond van de verdachte), zodat het hof deze eerste verklaring van haar betrouwbaar acht. Daar komt bij dat de alternatieve verklaring van de verdachte, dat het een ongeluk betreft omdat hij het mes bij [slachtoffer] uit de hand sloeg, niet strookt met het letsel van de aangever. Het mes is immers door twee broeken heen gegaan en heeft een wond van ongeveer 2 centimeter breed veroorzaakt. Verder strookt deze verklaring niet met de hiervoor beschreven en aan de bewijsmiddelen ontleende gang van zaken. Gelet op bovenstaande acht het hof het alternatieve scenario van de verdachte niet aannemelijk geworden. Het verweer van de raadsman dat de verdachte gezien dit scenario integraal dient te worden vrijgesproken, wordt verworpen. Vrijspraak van het primair ten laste gelegde Zoals de raadsman heeft bepleit en anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd is het hof van oordeel dat uit het steken met het mes door de verdachte in het linker onderbeen van aangever [slachtoffer] geen opzet, al dan niet voorwaardelijk, op het zwaar lichamelijk letsel van de aangever kan worden afgeleid. De verdachte heeft weliswaar met kracht met een mes, met een lemmet van 20 centimeter, in het onderbeen van de aangever gestoken, maar van het deel van het been waar de verdachte heeft gestoken, te weten naast het scheenbeen, aan de buitenzijde van het onderbeen, kan niet vastgesteld worden dat dit een kwetsbaar deel van het lichaam is, zodat niet op die grond kan worden aangenomen dat de verdachte, door te steken zoals hij deed, de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Ook uit de overige omstandigheden kan dit niet worden afgeleid. Het lichamelijk letsel dat het gevolg is geweest van het steken in het onderbeen (‘gastro-intestinaal bloedverlies en acuut nierfalen en compartimentsyndroom beide onderbenen’) is ook uitzonderlijk. Het hof is van oordeel dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. Bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 12 maart 2016 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door deze met kracht met een mes in het been te steken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe snijwond en een bloeding en enig ander zwaar lichamelijk letsel, ten gevolge heeft gehad. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarbij als bijzondere voorwaarde oplegging van een contactverbod. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft door met een mes in het onderbeen van het slachtoffer [slachtoffer] te steken zich schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer als gevolg. Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Van het door de verdachte toegepaste geweld heeft het slachtoffer gedurende langere tijd nadelige psychische en met name fysieke gevolgen ondervonden, zoals daarvan blijkt uit zijn verklaringen, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Nog steeds heeft het slachtoffer dagelijks last van deze gevolgen, die hem in grote mate beperken in zijn dagelijks leven. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 september 2019 is hij eerder voor een geweldsmisdrijf onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte wordt meegewogen in de strafmaat. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van de gevolgen van dit feit en de recidive van de verdachte, brengt met zich dat niet kan worden volstaan met een mindere strafmodaliteit dan vrijheidsbeneming. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken tijdens de zitting van het hof, acht het hof daarnaast een taakstraf passend en geboden. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast zal de maximale taakstraf worden opgelegd. Ook acht het hof – gelet op de onwenselijkheid om het slachtoffer bloot te stellen aan confrontaties met de verdachte – een contactverbod nog altijd geïndiceerd. Beslag De inbeslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen, te weten: vier messen, dienen teruggegeven te worden aan [slachtoffer]. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 26.130,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.