GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.254.129/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6749659 CV EXPL 18-6163 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 oktober 2019 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. A.A. Bouwman te Amsterdam, tegen WOONSTICHTING LIEVEN DE KEY, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. E. Goemans te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellante] en Lieven De Key genoemd. 1Het geding in hoger beroep [appellante] is bij dagvaarding van 20 december 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter), van 27 september 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Lieven De Key (en Lieven de Stad B.V.) als gedaagde(n). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord met een productie. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van Lieven De Key tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan Lieven De Key heeft voldaan met rente en met een beslissing over de proceskosten. Lieven De Key heeft geconcludeerd tot bekrachtiging. [appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de kantonrechter vastgestelde feiten die in hoger beroep niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden. 2.2. Tussen Lieven De Key en mevrouw [X] , de moeder van [appellante] , is op 7 november 2002 een huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) gesloten met betrekking tot de woning aan het [adres] (hierna: de woning). De huurprijs bedroeg laatstelijk € 492,61 per maand. 2.3. [appellante] heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1964. Zij heeft zich op 13 november 2013 samen met haar toen zesjarige zoon op het adres van de woning trachten in te schrijven bij de Gemeente Amsterdam. De zoon is toen ingeschreven, [appellante] niet. 2.4. De moeder is op [overlijdensdatum] overleden. Zij was toen 77 jaar oud. 2.5. Bij brief van 6 december 2017 heeft [appellante] Lieven De Key verzocht om de huur op de voet van het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW te mogen voortzetten. 2.6. Bij brief van 28 december 2017 heeft Lieven De Key dat verzoek afgewezen. 3Beoordeling 3.1 [appellante] heeft gevorderd Lieven De Key (en Lieven de Stad B.V.) te veroordelen tot voortzetting van de huurovereenkomst met [appellante] met ingang van 1 maart 2018 of een andere datum, met kosten en uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Daaraan heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij sinds 2013 in de woning haar hoofdverblijf heeft en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met haar moeder in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW. 3.2. De kantonrechter heeft de vordering tegen Lieven de Stad B.V. niet ontvankelijk verklaard, de vordering tegen Lieven De Key afgewezen en [appellante] in de kosten veroordeeld. Kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] niet heeft voldaan aan de op haar rustende (verzwaarde) stelplicht ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding. 3.3. [appellante] is tegen dit vonnis, voor zover tussen haar en Lieven De Key gewezen, opgekomen met vier grieven. Lieven de Stad B.V. is niet in dit hoger beroep betrokken, zodat het tussen haar en [appellante] gewezen vonnis niet aan het hof ter beoordeling voorligt. 3.4. De eerste drie grieven hebben betrekking op het begrip gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. Het hof bespreekt deze grieven gezamenlijk. Gemeenschappelijke huishouding? 3.5. Samengevat en zakelijk weergegeven heeft [appellante] het volgende aangevoerd. Sinds 2013 woonde zij bij haar moeder. Zij zorgde voor haar moeder, deelde lief en leed met haar, at met haar en bracht samen met haar tijd door. [appellante] begeleidde haar moeder naar de dokter, deed boodschappen en kookte. Er was een wederkerige zorgrelatie. De financiële bijdrage van haar moeder aan de gezamenlijke huishouding zal groter zijn geweest dan die van [appellante] . Omdat [appellante] geen bankrekening in Nederland kon openen kan zij de door haar verrichte aankopen niet bewijzen, maar er was geen scheiding in de financiële huishouding, aldus nog steeds [appellante] . 3.6. Lieven De Key heeft betwist dat [appellante] haar hoofdverblijf in de woning heeft en voorts dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder heeft gehad. 3.7. Het hof oordeelt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.