GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.201.210/01 zaak- en rolnummer rechtbank : 3647172 DX EXPL 14-410 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 februari 2019 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, tegen DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 26 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 26 november 2015, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Dexia als eiseres en [appellant] als gedaagde. Vervolgens is een regiecomparitie gelast in 188 bij het hof aanhangige Dexia-zaken. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte wijziging eis, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en Dexia in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vordering zal afwijzen, althans haar die zal ontzeggen (met uitzondering van de overeenkomst met nummer [nummer 1] (leaseovereenkomst III)), met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Dexia in de kosten van het principaal hoger beroep, met rente, en in de nakosten. Dexia heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans de door hem aangevoerde grieven zal verwerpen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties en in de nakosten. In het incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -voor recht zal verklaren dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellant] gesloten leaseovereenkomsten met nummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] (leaseovereenkomsten I, II en IV) aan [appellant] niet meer verschuldigd is dan een bedrag van € 2.063,78, althans voor zover het hof oordeelt dat de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware last op [appellant] legden, Dexia [appellant] niet meer is verschuldigd dan een bedrag van € 6.152,47, althans hetgeen zij onder het hofmodel aan [appellant] verschuldigd is. [appellant] heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof de grief van Dexia zal verwerpen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Dexia in de kosten van het incidenteel hoger beroep, met rente, en in de nakosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.8) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.1 [appellant] heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de leaseovereenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee staat vermeld, met Dexia als wederpartij (leasesommen omgerekend in euro's): Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Leasesom I. [nummer 2] 21-04-1998 Feestplan II 120 mnd € 13.895,99 II. [nummer 3] 24-09-1997 Feestplan 120 mnd € 13.782,93 III. [nummer 1] 19-06-1997 WinstVerdubbelaar 60 mnd € 6.673,38 IV. [nummer 4] 10-09-1999 Korting Kado 120 mnd € 14.997,54 2.2 Dexia heeft eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten: Nr. Datum eindafrekening Resultaat I. 14-04-2008 + € 197,42 II. 05-09-2000 + € 7.325,13 III. 19-06-2002 -/- € 168,23 IV. 09-09-2009 -/- € 3.164,85 2.3 Volgens opgave van Dexia heeft [appellant] op grond van de leaseovereenkomsten in totaal een bedrag van € 20.644,77 aan termijnen en een bedrag van € 3.333,08 aan restschuld aan Dexia betaald. [appellant] heeft een bedrag van € 3.705,60 aan dividenden en een bedrag van € 7.522,55 aan voordeel ontvangen. 2.4 Bij brief van 14 augustus 2014 heeft Dexia aan [appellant] meegedeeld dat zij met [appellant] wil bepalen of hij nog in aanmerking komt voor een schadevergoeding op basis van het Hofmodel. Dexia heeft [appellant] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [appellant] heeft voldaan en – zo niet – mee te delen en te onderbouwen welk schadebedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn. 2.5 [appellant] heeft hierop niet gereageerd. 2.6 Bij brief van (het hof leest:) 18 september 2014 heeft de gemachtigde van Dexia aan [appellant] meegedeeld dat Dexia het geschil wil afwikkelen en dat aan de hand van al de van belang zijnde gegevens dient te worden bekeken of [appellant] nog recht heeft op een schadevergoeding. [appellant] wordt verzocht mee te delen of hij meent nog in aanmerking te komen voor een schadevergoeding en – zo ja – de van belang zijnde gegevens toe te sturen, zodat berekend kan worden of [appellant] recht heeft op een vergoeding. 2.7 [appellant] heeft ook hierop niet gereageerd. 3Beoordeling 3.1 Dexia heeft in eerste aanleg gevorderd, primair een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de leaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellant] is verschuldigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en subsidiair en voorwaardelijk, voor het geval de kantonrechter van oordeel zou zijn dat de leaseovereenkomsten voor [appellant] een onaanvaardbaar zware last vormden, een verklaring voor recht dat Dexia aan [appellant] een bedrag van € 6.710,14 is verschuldigd, met rente, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 3.2 De kantonrechter heeft de gevraagde verklaring voor recht toegewezen voor de leaseovereenkomsten I, II en III, met compensatie van de proceskosten (en dus afgewezen voor leaseovereenkomst IV). Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen partijen op met hun grieven. In hoger beroep heeft Dexia haar eis gewijzigd. Nu [appellant] tegen de eiswijziging geen bezwaar heeft gemaakt en deze niet in strijd is met een goede procesorde, zal het hof daarop recht doen. 3.3 In het principaal hoger beroep betoogt [appellant] dat de leaseovereenkomsten I en IV naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op hem legden (grief 1) en stelt hij dat Dexia om die reden (naast leaseovereenkomst IV) ook ter zake van leaseovereenkomst I nog verplichtingen jegens hem heeft (grief 2). Dexia voert aan in haar grief in het incidenteel hoger beroep - na voornoemde eiswijziging - ten aanzien van leaseovereenkomst IV, primair, dat (ook) deze overeenkomst een aanvaardbaar zware last voor [appellant] vormde, zodat Dexia uit hoofde van de restschuld van € 3.164,85 nog een betalingsverplichting heeft van € 2.063,78, en, subsidiair, indien het hof tot het oordeel komt dat de leaseovereenkomsten een onaanvaardbaar zware last op hem legden, Dexia een bedrag van € 6.152,47 moet betalen. 3.4 Het hof overweegt als volgt. Als niet betwist staat tussen partijen vast dat [appellant] ten tijde van het sluiten van de leaseovereenkomsten in 1998 en 1999 nog bij zijn ouders woonde, dat hij een netto-maandinkomen had van respectievelijk € 850,61 en € 669,63 en dat hij beschikte over een vermogen van respectievelijk € 15.882,31 en € 14.069,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.