afdeling strafrecht parketnummer: 23-000333-19 datum uitspraak: 4 november 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-128023-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primairhij op of omstreeks 24 september 2017 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] een of meermalen met een mes in het bovenbeen heeft gestoken en/of een mes in (de richting van) het bovenbeen van [benadeelde] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairhij op of omstreeks 24 september 2017 te Alkmaar zijn levensgezel, [benadeelde], heeft mishandeld door die [benadeelde] een of meermalen met een mes in het bovenbeen te steken en/of een mes in (de richting van) het bovenbeen te gooien. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewijsoverwegingen en beslissing op voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken. Daartoe heeft hij – kort gezegd – onder meer aangevoerd dat sprake is van een alternatief scenario voor het ontstaan van het letsel, inhoudende dat de aangeefster de snijverwondingen heeft opgelopen tijdens een gepassioneerde vrijpartij op het aanrecht. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van de aangeefster dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze onvoldoende betrouwbaar is omdat de aangeefster niet consistent heeft verklaard. Daarnaast is ze bekend met automutilatie. Met het wegvallen van de verklaring van de aangeefster wordt niet voldaan aan het bewijsminimum. Bovendien kan het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op zwaar lichamelijk letsel niet worden vastgesteld, aldus de raadsman. Voor het geval het hof er van uit mocht gaan dat de verdachte met een mes heeft gegooid, heeft de raadsman verzocht een deskundige te benoemen die kan vaststellen hoe ver het mes in het been dient te zitten om te voorkomen dat het mes er vanzelf uitvalt. Het is noodzakelijk deze vraag te beantwoorden om tot een bewezenverklaring van opzet op zwaar lichamelijk letsel te kunnen komen, aldus de raadsman. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De aangeefster [benadeelde] (hierna: [benadeelde]) heeft zich op 24 september 2017 onder medische behandeling gesteld. Zij had twee wijkende snijwonden in haar bovenbeen aan de achterzijde, die flink bloedden. De ene wond is gesloten met 5 hechtingen en de andere wond met 3 hechtingen. Dezelfde dag is bij de politie een melding binnengekomen en zijn verbalisanten naar de woning gegaan, waar de verdachte en [benadeelde] zich bevonden. [benadeelde] deed de deur open en volgens de verbalisanten was zij zichtbaar in paniek. Nadat zij de voordeur had geopend vroeg [benadeelde] aan de verbalisanten wie gebeld had, deed haar wijsvinger voor haar lippen en wees in paniek en angst omhoog, kennelijk om de verdachte aan te duiden die zich bovenaan de trap bevond. [benadeelde] maakte met haar hand een vuist en maakte ‘stekende’ bewegingen. Ondertussen was [benadeelde] de keuken ingelopen, waar ze een mes aanwees en stekende bewegingen voordeed. [benadeelde] liet de achterkant van haar benen zien en de verbalisanten zagen op haar rechterbeen net onder de bil een drietal witte pleisters. [benadeelde] heeft aangifte gedaan en verklaard dat zij door de verdachte stevig is geprikt met een mes in haar rechterbeen, dat de verdachte van een meter afstand het mes in haar richting heeft gegooid, dat zij voelde dat het mes in haar bovenbeen terecht kwam, net onder haar bil, en dat zij een scherpe pijn voelde. Alternatief scenario Het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario voor het ontstaan van het letsel is niet aannemelijk geworden. Daarbij is met name van belang dat er sprake is van twee wijkende snijwonden die middels meerdere hechtingen gesloten moesten worden. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat dergelijke verwondingen zijn ontstaan doordat [benadeelde] tijdens seks met de verdachte door hem op het aanrecht is getild en toen – zo begrijpt het hof verdachtes scenario – op een mes is gaan zitten. Betrouwbaarheid verklaring [benadeelde] heeft op 24 september 2017 aangifte gedaan. Zij heeft deze aangifte op 10 oktober 2017 “ingetrokken”, daarbij het alternatieve scenario van de verdachte bevestigd en tevens verklaard dat ze echt bang was en daarom de politie had gebeld. Enige tijd later, maar nog vóór de terechtzitting in eerste aanleg, heeft zij verklaard dat zij uit angst voor de verdachte de aangifte had ingetrokken. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [benadeelde] en de geloofwaardigheid van haar aangifte. De suggestie van de raadsman, dat [benadeelde] bij zichzelf de verwondingen zou hebben aangebracht vindt, anders dan de verklaring van de verdachte, geen enkele steun in het dossier. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat [benadeelde] ambtshalve gehoord zou moeten worden om de betrouwbaarheid van haar verklaring te kunnen toetsen, is dat naar het oordeel van het hof, gezien het bovenstaande, niet nodig. Het e-mailbericht van [benadeelde] aan de raadsman van de verdachte, dat de raadsman als bijlage aan zijn pleitnota heeft gehecht, brengt in dat oordeel geen verandering, Opzet op zwaar lichamelijk letsel De verdachte heeft [benadeelde] met een mes verwond, onder meer door het mes in haar richting te gooien. Het mes is in de achterzijde van haar rechter bovenbeen, net onder een bil, terechtgekomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenbeen een slagader, pezen en spieren bevinden. Deze kunnen worden doorgesneden of beschadigd, hetgeen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Gezien vorenstaande levert verdachtes handelen een poging tot zware mishandeling op. Voorwaardelijk verzoek Gelet op de onderbouwing die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, het belang van het gevraagde onderzoek in het licht van het overige bewijsmateriaal en het moment in het strafproces waarop dit verzoek is gedaan, acht het hof het benoemen van een deskundige om het door de raadsman verlangde onderzoek te verrichten, niet noodzakelijk. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek af. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 24 september 2017 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een mes in het bovenbeen heeft gestoken en een mes in de richting van het bovenbeen van [benadeelde] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en heeft daaraan algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met uitzondering van het contactverbod als bijzondere voorwaarde. De raadsman heeft (subsidiair) verzocht de verdachte een taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf onder algemene en bijzondere voorwaarden op te leggen, waarbij geen bezwaar bestaat tegen dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden. De deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, is niet passend nu de verdachte aan zijn problemen heeft gewerkt en meewerkt aan het toezicht van de reclassering. Daarnaast heeft verdachte de zorg voor zijn dochter. De raadsman heeft verzocht wat betreft de strafmodaliteit acht te slaan op het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 30 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.