GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.257.918/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/257184 / HA ZA 17-253 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 november 2019 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam, tegen ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, geïntimeerde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Achmea genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 8 maart 2019 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen vonnissen van 4 april 2018 en 6 februari 2019, gewezen tussen Achmea als eiseres en [appellant] en [X] Aannemingsbedrijf & Vastgoedadvies B.V. (hierna: [X] Aannemingsbedrijf) als gedaagden. [appellant] heeft bij memorie van grieven negen grieven geformuleerd, bewijs aangeboden en producties overgelegd, met conclusie als aan het slot van die memorie vermeld. Achmea heeft bij incidentele memorie op de voet van artikel 222 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.264.770/01 tussen [X] Aannemingsbedrijf als appellante en Achmea als geïntimeerde. [appellant] heeft daarop in het incident geantwoord en zich bij akte tot referte gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. 2Beoordeling in het incident tot voeging 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.