GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.201.505/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/586580 / HA ZA 15-451 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 november 2019 inzake de rechtspersoon naar Duits recht KURFÜRSTER IMMOBILIEN GMBH, gevestigd te Düsseldorf, Duitsland, appellante, advocaat: mr. H.J. Bos te Amsterdam, tegen ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. R.P. Raas te Amsterdam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Partijen worden hierna weer Kurfürster en ING genoemd. In deze zaak is op 30 januari 2018 een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot aan die datum wordt verwezen naar het tussenarrest. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - akte na tussenarrest van ING, met producties; - antwoordakte van Kurfürster, met producties; - antwoordakte na tussenarrest van ING. Vervolgens hebben partijen de zaak ter zitting van 5 april 2019 doen bepleiten, Kurfürster door mr. H.J. Bos voornoemd en mr. R.H. Kroes, advocaat te Amsterdam, en ING door mr. Raas voornoemd en mr. T.R.B. de Greve, advocaat te Amsterdam, steeds aan de hand van pleitnotities. Beide partijen hebben nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte is weer arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1 Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist. 2.2 In het tussenarrest is als volgt overwogen. “3.4 Kurfürster heeft tijdens haar pleidooi het volgende, kort samengevat, aangevoerd. ING voert op een essentieel punt een onjuist feitelijk verweer en handelt daardoor in strijd met artikel 21 Rv. Zij betoogt namelijk ten onrechte dat zij en de markt in 2008 een rentestijging verwachtten en heeft daardoor zowel het hof als Kurfürster op het verkeerde been gezet. Bovendien is daardoor het beroep van ING op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Kurfürster wijst hiervoor op de presentatie van 24 juli 2008, waarin is aangegeven dat de rente nog meer zou gaan stijgen, waardoor het noodzakelijk was om dit renterisico door middel van een rentederivaat af te dekken. Dit heeft ING volgehouden in hoger beroep. De rentevisie van ING blijkt, gezien haar Forecast van 10 juli 2008, echter een geheel andere te zijn geweest. Andere banken verwachtten destijds ook dat de Euribor zou gaan dalen, zoals blijkt uit de rentevisie van ABN AMRO van juni 2008 (productie 27 van Kurfürster). Kurfürster zou voor een rentecap hebben gekozen, indien zij deugdelijk was voorgelicht door ING. ING heeft derhalve een onzorgvuldig advies gegeven en haar informatie- en waarschuwingsplicht geschonden. Het primaire beroep op dwaling dient alsnog toegewezen te worden. Daar Kurfürster eerst zeer recent bekend is geraakt met de daadwerkelijke renteverwachting van ING, dient het beroep op verjaring te worden verworpen. Bovendien is dat beroep van ING, gelet op het opzettelijk doen van een onjuiste mededeling omtrent haar renteverwachting, als ook het opzettelijk volhouden van die stelling, in strijd met de redelijkheid en billijkheid. (…)” 3.5 ING heeft er bij pleidooi bezwaar tegen gemaakt dat deze nieuwe feiten in de rechtsstrijd worden betrokken. Zij heeft echter niet (voldoende) gemotiveerd weersproken dat Kurfürster de door haar aangevoerde feiten niet eerder kende. Het hof aanvaardt daarom dat deze feiten alsnog aan de grieven respectievelijk vorderingen van Kurfürster ten grondslag worden gelegd.” 2.3 Vervolgens heeft het hof ING in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de door Kurfürster tijdens haar pleidooi aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden. 2.4 De rechtbank heeft de vorderingen van Kurfürster uit hoofde van dwaling ten aanzien van de eigenschappen van de ZCKIC, dan wel een toerekenbare tekortkoming van ING wegens het onvoldoende waarschuwen voor en/of onjuist adviseren over de werking van de ZCKIC afgewezen. Tegen deze beslissing en de motivering daarvan komt Kurfürster met negen grieven op. Schending van de zorgplicht 2.5 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad rust in verband met haar maatschappelijke functie en deskundigheid op een bank als professionele aanbieder van risicovolle financiële producten en diensten een bijzondere zorgplicht. De reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. De vraag die daarmee voorligt is tot welke zorg ING in het onderhavige geval was gehouden. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang. 2.6 Kurfürster is een special purpose vehicle dat in 2008 speciaal is opgericht met het oog op de aankoop en exploitatie van de Kurfürsten Galerie, een winkelcentrum te Kassel (Duitsland), waarmee een bedrag van € 37 miljoen was gemoeid. De oprichters en aandeelhouders waren [A] (via zijn vennootschap [B.V.1] ), [B] (via zijn vennootschap [B.V.2] ), [C] (via zijn vennootschap [B.V.3] ) en [D] (via zijn vennootschap [B.V.4] ) (hierna: [A] , [B] , [C] en [D] ). De oprichters/aandeelhouders hebben via genoemde vennootschappen de lening van € 35 miljoen als hoofdelijk medeschuldenaar meegetekend. Uit de op 15 juli 2008 door de bestuurder [D] ingevulde vragenlijst MiFID-passendheid volgt dat Kurfürster beschikte over kennis van en ervaring had met aandelen, aandelenderivaten, buitenlandse valuta & derivaten, rentevoetderivaten en kredietderivaten. Verder staat als onvoldoende betwist vast dat [D] partner is bij een groot internationaal vastgoedbeleggingsfonds, dat een door hem opgericht vastgoedbeleggingsfonds sinds 2000 meer dan 170 vastgoedobjecten heeft aangekocht met een totale waarde van € 810 miljoen alsmede dat [D] gecertificeerd accountant is en Chief Financial Officer van verschillende bedrijven is geweest. De drie andere oprichters-aandeelhouders zijn ook ervaren vastgoedbeleggers. [A] , oud-notaris, heeft in 2000 samen met [B] , advocaat, de vastgoedportefeuille [X] gekocht en samen met onder meer [B] in 2001 het advocaten- en belastingadvieskantoor [Y] opgericht, dat zich tot doel heeft gesteld hoogwaardige juridische en fiscale dienstverlening aan te bieden aan actoren op de commerciële vastgoedmarkt. [A] en [B] zijn aandeelhouder van [X] Groep B.V., een vennootschap die investeerde in grootschalige, complexe vastgoedprojecten in en buiten Nederland. [C] , oud-advocaat, heeft zijn eigen vastgoedconcern opgezet. Blijkens zijn LinkedIn-profiel is hij deskundig op het gebied van (vastgoed)financieringen en bancaire producten. 2.7 Uit het voorgaande volgt dat Kurfürster, hoewel geen professionele partij in de zin van artikel 1:1 Wft, civielrechtelijk een professionele en deskundige partij is die niet gelijkgesteld kan worden met particuliere beleggers of MKB-ondernemingen. In het licht van haar deskundigheid op het terrein van vastgoedfinancieringen en gelet op de schriftelijke presentatie van ING genaamd “Kurfürster Immobilien GmbH Afdekken Renterisico”, waarin onder meer de kenmerken van de ZCKIC wordt beschreven, is het hof met de rechtbank van oordeel dat Kurfürster haar stelling dat zij niet eerder dan in 2014 zou hebben ontdekt dat zij ten gevolge van de dalende Euribor-rente geconfronteerd werd met hogere rentelasten dan bij aanvang voorzien, onvoldoende heeft toegelicht. Grief 2 faalt. Keuze voor ZCKIC 2.8 In de memorie van grieven onder 13 erkent Kurfürster dat zij op basis van de door ING verstrekte informatie aangaande de kosten verbonden aan de ZCKIC (geen kosten) ten opzichte van de gestelde kosten van een cap (€ 600.000) heeft besloten de ZCKIC af te nemen. Voor zover Kurfürster bij antwoordakte onder 16 anders stelt, is dat tardief en gaat het hof daaraan voorbij. ING mocht van Kurfürster als professionele en deskundige wederpartij ook verwachten dat zij zelfstandig is staat was om zich een oordeel te vormen over de geschiktheid van een bepaald rentederivaat. Overhedge in looptijd 2.9 Op 24 juli 2008 hebben partijen de kredietovereenkomst getekend. Deze had een looptijd van drie jaar. In de kredietovereenkomst is opgenomen dat voor het einde van de looptijd ING met Kurfürster in overleg zal treden over de mogelijkheid van verlenging van de financiering. Partijen hebben de kredietovereenkomst per 1 juli 2011, 1 juli 2012, 1 juli 2013 en 1 juli 2014 ook telkens voor één jaar gecontinueerd. De ZCKIC is ingegaan op 1 augustus 2008 en geëindigd op 1 juli 2013. Bij het afsluiten van de ZCKIC is een overhedge in looptijd ontstaan. Nu de kredietovereenkomst is verlengd tot 1 juli 2015 is de overhedge in looptijd opgeheven. Ten overvloede wijst het hof erop dat in het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (productie 21 bij memorie van grieven), waarnaar Kurfürster herhaaldelijk verwijst ter onderbouwing van haar standpunten, dat ook zo is vastgelegd (par. 3.3.14). De grieven 6 en 9 falen. Verjaring 2.10 Grief 7 bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 4.8 dat ING terecht als verweer aanvoert dat ook een mogelijke vordering van Kurfürster tot ontbinding of schadevergoeding op grond van een gestelde toerekenbare tekortkoming is verjaard doordat Kurfürster uiterlijk op 1 juli 2009 bekend is geworden met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.