GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.231.791/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/615998 / HA ZA 16-994 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 november 2019 inzake 1 [X] , wonend te [woonplaats] ( [land] ), 2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 4. [appellante sub 4], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 5. [appellante sub 5], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 6. [appellante sub 6], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 7. [appellante sub 7], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 8. [appellante sub 8], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 9. [appellante sub 9], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 10. [appellante sub 10], wonend te [woonplaats] ( [land] ), 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats] ( [land] ), appellanten, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen MR. J.L.M. GROENEWEGEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van SWETS INFORMATION SERVICES B.V., kantoorhoudend te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. M.N. de Groot te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [X] c.s. en de curator genoemd. Appellanten sub 1 tot en met 10 hierna tezamen ook te noemen: appellanten 1 tot en met 10 en appellant sub 11 hierna ook te noemen: [appellant sub 11] . [X] c.s. is bij dagvaarding van 12 december 2017 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2017 (verder: het tussenvonnis) en 13 september 2017 (verder: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X] c.s. als eisers en de curator als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord. [X] c.s. heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [X] c.s. zal toewijzen, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding in beide instanties. De curator heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [X] c.s., met veroordeling - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - van [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. Partijen hebben de zaak ter zitting van 14 september 2018 doen bepleiten, [X] c.s. door mr. F.E. de Neef, advocaat te Amsterdam, aan de hand van een pleitnotitie die is overgelegd, en de curator door mr. De Groot voornoemd. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.2. Swets Information Services B.V. (verder: SIS) is enig aandeelhouder van Swets & Zeitlinger International Holding B.V. die op haar beurt enig aandeelhouder is van de vennootschap naar Spaans recht Swets Information Services S.L. (verder: Swets Spanje). 2.3. Op 23 september 2014 is SIS in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig. 2.4. [X] c.s. was in dienst van Swets Spanje. Op 19 november 2014 is Swets Spanje in staat van faillissement verklaard. Aan [X] c.s. is vervolgens collectief ontslag verleend. De arbeidsrelaties van [X] c.s. zijn per 4 december 2014 geëindigd. 2.5. Op 9 december 2014 hebben appellanten 1 tot en met 10 bij de arbeidsrechtbank te Barcelona een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt tegen Swets Spanje, SIS en hun curatoren. De curator is, hoewel daartoe opgeroepen, in die procedure niet verschenen. 2.6. Bij brief van 19 maart 2015 heeft mr. De Neef geldvorderingen betreffende achterstallig loon en schadevergoeding van appellanten 1 tot en met 10 in het faillissement van SIS bij de curator ter verificatie ingediend. 2.7. Bij vonnis van 10 september 2015 heeft voornoemde arbeidsrechtbank Swets Spanje en SIS hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan appellanten 1 tot en met 10 van bedragen van in totaal € 106.298,71 aan achterstallig loon en € 279.810,79 aan schadevergoeding. Tegen dit vonnis (verder: het Spaanse vonnis) is geen hoger beroep ingesteld. 2.8. Bij attest van 22 januari 2015 heeft de curator in het faillissement van Swets Spanje verklaard dat [appellant sub 11] bedragen te vorderen heeft van Swets Spanje van in het totaal € 38.127,37 aan achterstallig loon en € 102.096,00 aan schadevergoeding. 3Beoordeling 3.1. In eerste aanleg heeft [X] c.s. gevorderd, na vermeerdering van eis, een verklaring voor recht dat: a. [X] c.s. als gevolg van het Spaanse vonnis is aan te merken als (gewezen) werknemer van SIS; b. het achterstallig loon, te vermeerderen met 10%, voor zover dat de periode vanaf 23 september 2014 beslaat, een boedelschuld is; c. de vordering ter zake van uitbetaling van achterstallig loon, vermeerderd met 10%, voor zover dat de periode tot aan 23 september 2014 beslaat, een preferente vordering voor [X] c.s. oplevert; d. de vordering tot schadevergoeding een boedelschuld is, een en ander met veroordeling van de curator in de proceskosten. 3.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van het Spaanse vonnis niet kan worden geconcludeerd dat tussen [X] c.s. en SIS sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat [X] c.s. naar Nederlands recht niet kan worden aangemerkt als voormalig werknemer van SIS. De vorderingen van [X] c.s. zijn afgewezen en [X] c.s. is veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] c.s. met drie grieven op. 3.3. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling nu deze in de kern zien op de vraag of tussen [X] c.s. en SIS al dan niet een arbeidsverhouding heeft bestaan. 3.4. [X] c.s. heeft in dit kader, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Swets Spanje kon worden aangemerkt als een zogenaamd ‘cost-plus’ kantoor. Binnen de Swets Groep was een dergelijk kantoor niet meer dan een verkoopkantoor zonder eigen omzet, waardoor de omzetten van ieder individueel cost-plus kantoor intragroup werden toegerekend aan SIS. Alle contracten met Spaanse klanten stonden op naam van SIS en de betalingen werden aan haar verricht. Van SIS ontving Swets Spanje een vergoeding voor de door haar gemaakte kosten. Op basis van dat feitencomplex is dan ook in het Spaanse vonnis geoordeeld dat sprake is van een zogenoemde ‘Grupo Patologico’. Uit de door [X] c.s. overgelegde legal opinion van mr. M. Hoogstraate, oud-advocaat en thans bedrijfsjurist in Spanje, volgt dat het gevolg van een dergelijke pathologische groep is dat andere vennootschappen die deel uitmaken van de groep ook als werkgever worden aangemerkt, dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens werknemers en dat de pathologische groep een rechtsfiguur is die voortvloeit uit het Spaanse arbeidsrecht en niet uit het vennootschapsrecht, onrechtmatige daad of algemeen vermogensrecht. Op grond van het Spaanse vonnis is dus zowel Swets Spanje als SIS als werkgever van [X] c.s. aan te merken. Dat [X] c.s. naar Nederlands recht wellicht niet is aan te merken als voormalig werknemer van SIS, is niet van belang. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [X] c.s. ten onrechte zijn afgewezen en dat [X] c.s. ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten, aldus nog steeds [X] c.s. 3.5. De curator heeft hier, samengevat, het volgende tegenover gesteld. Primair gaat het om de vraag naar welk recht dient te worden bepaald of sprake is van een arbeidsbetrekking tussen [X] c.s. en SIS. Deze vraag dient te worden beantwoord naar communautair recht. Volgens bestendige rechtspraak van het Hof van Justitie, die in overeenstemming is met de opvattingen in de literatuur, dienen de begrippen ‘werknemer’ en ‘arbeid in loondienst’ autonoom te worden uitgelegd, waarbij het hoofdkenmerk van de arbeidsbetrekking is dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Niet in geschil is dat er geen rechtstreekse (schriftelijke) arbeidsovereenkomst heeft bestaan tussen SIS en [X] c.s. Appellanten 1 tot en met 10 verrichtten hun werkzaamheden uitsluitend ten behoeve van Swets Spanje - een separate juridische entiteit binnen de Swets groep - , hun lonen evenals de loonbelasting en de sociale premies werden betaald door Swets Spanje en zij waren niet ondergeschikt aan SIS maar werden geïnstrueerd door de directie van Swets Spanje, waarvan [appellant sub 11] directeur was. Daarmee is aan geen van de door het Hof van Justitie genoemde (cumulatieve) voorwaarden voldaan. Het enkele feit dat binnen de Swets Groep werd gewerkt met cost-plus vestigingen is niet relevant. In een groep van vennootschappen is een dergelijk systeem, mede vanuit fiscaal oogpunt, gebruikelijk en een dergelijk systeem laat onverlet dat de zeggenschap over appellanten 1 tot en met 10 uitsluitend berustte bij het lokale management van Swets Spanje. Nu tussen [X] c.s. en SIS geen arbeidsbetrekking heeft bestaan in communautaire zin, is dientengevolge ook geen sprake van een arbeidsbetrekking of een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 10 van de toen van toepassing zijnde Insolventieverordening 1346/2000 (verder: IVO), zodat de hoofdregel van artikel 4 IVO dient te worden gevolgd. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het faillissement van SIS door het Nederlands recht, als lex concursus, worden beheerst. De door [X] c.s. aangehaalde artikelen 40 Faillissementswet (Fw) en 3:288, sub e, BW, welke artikelen uitgaan van het bestaan van een arbeidsbetrekking, zijn niet van toepassing, zodat de vorderingen van [X] c.s. niet als boedelschulden of preferente vorderingen kwalificeren, maar (slechts) als concurrente vorderingen, aldus nog steeds de curator. 3.6. Het hof volgt de curator in zijn betoog dat bij toepassing van de IVO de vraag of tussen [X] c.s. en SIS een arbeidsverhouding heeft bestaan dient te worden beantwoord naar communautair recht. Een dergelijke vraag dient autonoom te worden getoetst omdat de begrippen ‘arbeidsverhouding’, ‘arbeidsbetrekking’ en ‘arbeidsovereenkomst’ in breder verband in Europese regelgeving worden gehanteerd. Uit het standaardarrest Lawrie/Blum (HvJ EG 3 juli 1986, C-66/85) volgt - in het kader van de betekenis van het begrip ‘werknemer’ - dat als de essentialia van een arbeidsverhouding kort gezegd worden beschouwd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.