GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.251.647/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/653131 / HA RK 18-269 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 november 2019 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam, tegen SMART RETAIL CONCEPTS B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. Th.H.P. van den Kieboom te Utrecht. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Smart Retail genoemd. [appellant] is bij beroepschrift met bijlagen, ontvangen ter griffie van het hof op 21 december 2018, onder aanvoering van gronden en aanbieding van bewijs in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam onder bovengenoemd zaaknummer op 15 november 2018 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof: primair het verzoek van Smart Retail om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen alsnog zal afwijzen dan wel de beschikking zal vernietigen, subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst nog bestaat dan wel bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet op 1 september 2018 is geëindigd, althans onder een andere in goede justitie te bepalen voorwaarde, althans onvoorwaardelijk: - Smart Retail zal veroordelen de arbeidsovereenkomst met [appellant] te herstellen met ingang van 1 september 2018 dan wel een in goede justitie te bepalen datum, dan wel - Smart Retail zal veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding aan [appellant] , een en ander met veroordeling van Smart Retail in de proceskosten in beide instanties. Op 11 maart 2019 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van Smart Retail ingekomen, inhoudende het primaire verzoek [appellant] in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, subsidiair het verzoek de verdere behandeling van de zaak aan te houden totdat de rechtbank in een door [appellant] geëntameerde procedure om toekenning van een billijke vergoeding heeft beslist en meer subsidiair het verzoek, voor het geval dat wordt vastgesteld dat [appellant] belang heeft bij een volledige behandeling van de beroepsgronden, Smart Retail in de gelegenheid te stellen zich nader bij akte uit te laten over hetgeen door [appellant] is aangevoerd, in alle gevallen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties. Op 27 september 2019 is van [appellant] een nadere productie (inhoudende een tweetal beschikkingen van de rechtbank in een andere procedure tussen partijen) ontvangen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Bij die gelegenheid hebben voornoemde advocaten het woord gevoerd, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden. 2Feiten De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.27 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Kortheidshalve verwijst het hof naar de door de rechtbank vastgestelde feiten. Voor zover [appellant] grieven heeft gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank behoeven deze geen bespreking omdat [appellant] daarbij geen voldoende belang heeft, zoals uit het navolgende blijkt. 3Beoordeling 3.1. Smart Retail heeft in eerste aanleg - na wijziging van eis - verzocht om, samengevat weergegeven, de arbeidsovereenkomst tussen haar en [appellant] , voor het geval deze nog bestaat casu quo voor het geval dat bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing komt vast te staan dat die arbeidsovereenkomst niet op 1 september 2018 is geëindigd, (voorwaardelijk) te ontbinden op zo kort mogelijke termijn op grond van artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a in samenhang met artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e, d, g en/of h BW, onder toekenning van de transitievergoeding aan [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 3.2. [appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van Smart Retail. Bij wijze van incidenteel verzoek heeft [appellant] verzocht de zaak te verwijzen naar de kantonrechter omdat hij niet als statutair bestuurder maar als werknemer van Smart Retail dient te worden aangemerkt. [appellant] heeft verzocht Smart Retail te veroordelen in de proceskosten in de hoofdzaak en in het incident. Smart Retail heeft tegen het incidentele verzoek van [appellant] verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] als statutair bestuurder en niet als werknemer van Smart Retail dient te worden aangemerkt en dat dat betekende dat de rechtbank bevoegd was van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van Smart Retail kennis te nemen. Het incidentele verzoek tot verwijzing is afgewezen. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is met inachtneming van de door Smart Retail geformuleerde voorwaarden per 1 januari 2019 ontbonden en Smart Retail is veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding ad € 4.212,- bruto. De proceskosten zijn gecompenseerd, aldus dat partijen de eigen proceskosten dienden te dragen. 3.4. Tegen de beslissingen in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in dit hoger beroep op. Het betoog van [appellant] komt erop neer dat hij geen vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2018 nastreeft, maar dat hij om andere redenen hoger beroep heeft ingesteld, namelijk allereerst om te voorkomen dat de bestreden beschikking gezag van gewijsde zou krijgen en daarnaast om verschillende rechtsklachten aan de orde te stellen. [appellant] stelt zich op het standpunt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.