GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.233.858/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/621341 / HA ZA 17-2 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 december 2019 inzake SCHADE LEVEN PORTEFEUILLE B.V., gevestigd te Amersfoort, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. J.R.M. Rikmenspoel te Utrecht, tegen: de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, BANK OF SCOTLAND PLC, gevestigd te Edinburgh, Schotland (Verenigd Koninkrijk), geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. W.A. Westenbroek te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna SLP en BoS genoemd. SLP is bij dagvaarding van 5 februari 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2017, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen haar als eiseres in conventie, tevens verweerster in (voorwaardelijke) reconventie en BoS als gedaagde in conventie tevens eiseres in (voorwaardelijke) reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 september 2019 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Door SLP zijn nog producties in het geding gebracht, genummerd 66 tot en met 83. De begeleidende brief van mr. Rikmenspoel van 12 september 2019 waarmee de producties aan het hof zijn toegezonden en die was bedoeld als leeswijzer bij de producties, is – gehoord het bezwaar daartegen van de zijde van BoS – ter zitting door het hof geweigerd. Door BoS is voorafgaand aan de zitting een akte in het incidenteel appel houdende wijziging van eis in het geding in reconventie aan het hof toegezonden. Deze akte is ter zitting genomen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte is arrest gevraagd. SLP heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van BoS in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en uitvoerbaar bij voorraad. In het principaal hoger beroep heeft BoS geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van SLP in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en rente en uitvoerbaar bij voorraad. BoS handhaaft in hoger beroep haar vorderingen die zij in eerste aanleg in voorwaardelijke reconventie heeft ingediend. In verband daarmee concludeert BoS in incidenteel hoger beroep, als komt vast te staan dat SLP rechthebbende is geworden op de beweerdelijke vorderingen, dat haar vorderingen zoals deze zijn verwoord in de memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel alsnog worden toegewezen, met veroordeling van SLP in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en rente en uitvoerbaar bij voorraad. In onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft BoS, na wijziging van eis, geconcludeerd dat het bestreden vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd en voor recht wordt verklaard dat SLP onrechtmatig heeft gehandeld, althans misbruik heeft gemaakt van het procesrecht, door het instellen van vorderingen op basis van feiten en omstandigheden waarvan SLP de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen en/of op stellingen waarvan zij op voorhand had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen zouden hebben, met veroordeling van SLP tot vergoeding van de in verband daarmee door BoS geleden schade, bestaande uit de door haar gemaakte kosten in eerste aanleg en hoger beroep, nader op te maken bij staat. In het incidenteel hoger beroep heeft SLP geconcludeerd tot verwerping daarvan, met veroordeling van BoS in de proceskosten, vermeerderd met rente en uitvoerbaar bij voorraad. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Met grief 1 geeft SLP een eigen weergave van feiten. Voor zover deze samenvatting niet overeenkomt met de weergave van de feiten in het vonnis, dient dit volgens SLP te worden aangemerkt als een grief tegen de feitenvaststelling. Het hof volgt SLP daarin niet, omdat een dergelijk grief te onbepaald is. Met het enkel opsommen van feiten maakt SLP onvoldoende concreet duidelijk waarom niet van de door de rechtbank genoemde feiten kan worden uitgegaan. De hierna te noemen feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. 2.1. BoS is een financiële instelling die onder andere aanbieder is van hypothecaire geldleningen. BoS had een samenwerkingsovereenkomst met Adviesplus B.V. (hierna: Adviesplus), een bemiddelaar in hypothecaire geldleningen en aanverwante producten. Als Adviesplus had bemiddeld bij het tot stand komen van een hypothecaire geldlening tussen één van haar klanten en BoS, was Adviesplus op grond van de samenwerkingsovereenkomst onder bepaalde voorwaarden gerechtigd tot betaling door BoS van (doorlopende) provisie. 2.2. Bij brief van 15 juli 2010 hebben Adviesplus en BOS Portefeuille Beheer B.V. (hierna: BPB) aan BoS medegedeeld dat Adviesplus haar rechtsverhouding tot BoS uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst per 15 juli 2010 aan BPB heeft overgedragen in de zin van artikel 6:159 BW (contractsoverneming). In deze brief wordt aan BoS gevraagd toestemming te geven voor deze contractsoverneming. De brief is ondertekend door [X] als middellijk bestuurder van zowel Adviesplus als BPB. 2.3. Bij brief van 16 juli 2010 hebben Adviesplus en SLP aan BoS medegedeeld dat Adviesplus haar rechtsverhouding tot BoS uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst aan SLP heeft overgedragen in de zin van artikel 6:159 BW (contractsoverneming), onder de opschortende voorwaarde dat de zes grootste contractspartijen van Adviesplus toestemming voor de contractsoverneming geven. In de brief wordt aan BoS gevraagd toestemming te geven voor deze contractsoverneming. De brief is ondertekend door [X] als middellijk bestuurder van zowel Adviesplus als SLP. 2.4. Bij e-mail van 10 augustus 2010 heeft BoS aan Adviesplus geschreven dat in verband met de verzoeken van 15 en 16 juli 2010 een aantal vragen en aandachtspunten zijn gerezen en dat de provisiebetalingen aan Adviesplus voorlopig on hold worden gezet. 2.5. Bij brief van 13 augustus 2010 heeft Adviesplus aan BoS medegedeeld dat de brief van 15 juli 2010 (contractsoverneming door BPB) juist is, en dat de brief van 16 juli 2010 (contractsoverneming door SLP) onjuist is. In deze brief van 13 augustus 2010 wordt aan BoS gevraagd om medewerking te verlenen aan de contractsoverneming door BPB. De brief is ondertekend door [Y] namens Adviesplus. 2.6. Bij brief van 27 augustus 2010, ondertekend door [X] als middellijk bestuurder van Adviesplus, heeft Adviesplus aan BoS geschreven: “Bij brief van 16 juli 2010 [bedoeld is: 15 juli 2010, hof] hebben Adviesplus B.V. en BOS Portefeuille Beheer B.V. (“BOS”) u in kennis gesteld van de overeenkomst van contractsovername d.d. 15 juli 2010 (de ”Overeenkomst”) inzake enkele samenwerkingsovereenkomsten als gesloten tussen Adviesplus B.V. en Bank of Scotland plc en u verzocht schriftelijk uw akkoord daarvoor te geven (welk akkoord tot op heden niet gegeven is). Per brief van 27 augustus 2010 heeft BOS de Overeenkomst vernietigd middels buitengerechtelijke verklaring. Hierbij bericht Adviesplus B.V. u dan ook dat vernoemd verzoek aan u om akkoord te geven op voormelde contractsovername hierbij wordt ingetrokken. Voor de volledigheid bericht Adviesplus B.V. u dat zij de wederpartij van Bank of Scotland plc. onder de betreffende samenwerkingsovereenkomsten zal blijven.” 2.7. Bij vonnis van 31 augustus 2010 van de rechtbank Utrecht is Adviesplus in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mrs. E.E.A. Dijxhoorn en R.E.P. de Koning als curatoren. 2.8. Curatoren hebben blijkens het faillissementsverslag van 1 november 2010 geconstateerd dat tot het vermogen van Adviesplus rechten behoren of behoorden die voortvloeien uit verschillende samenwerkingsovereenkomsten: - Samenwerkingsovereenkomsten met Allianz Nederland Levensverzekering N.V., voorheen Universal Leven N.V. (UL-portefeuille), - Samenwerkingsovereenkomsten met BoS (BoS-portefeuille) en - Samenwerkingsovereenkomsten met 95 aanbieders van Schade/Leven-producten (Schade/Leven-portefeuille). 2.9. Met betrekking tot de “UL-portefeuille” hebben curatoren geconcludeerd dat deze op de faillissementsdatum nog steeds tot het vermogen van Adviesplus behoorde. 2.10. Met betrekking tot de “BoS-portefeuille” hebben curatoren geconstateerd dat de op 15 juli 2010 tussen Adviesplus en de koper gesloten koopovereenkomst op 27 augustus 2010 is vernietigd wegens dwaling. Curatoren hebben vervolgens de vernietiging van de overeenkomst van 15 juli 2010 aanvaard. 2.11. Met betrekking tot de “Schade/Leven-portefeuille” hebben curatoren vastgesteld dat deze ten tijde van het failleren van Adviesplus ten dele was verkocht en overgedragen aan een andere vennootschap. Voor zover de overdracht nog niet had plaatsgevonden, kwam dit omdat de desbetreffende Schade/Leven-aanbieder nog geen medewerking ex artikel 6:159 BW had verleend. Curatoren hebben om diverse redenen besloten de overgang van de “Schade/Leven-portefeuille” (vanuit het vermogen van Adviesplus) niet aan te tasten. 2.12. Bij brief van 9 december 2010 heeft BoS bij de curatoren van Adviesplus een vordering ingediend in het faillissement van Adviesplus wegens bedragen die BoS in het verleden teveel heeft uitbetaald aan Adviesplus en daarbij aangekondigd dat, voor zover in de toekomst nog provisiebetalingen zullen vervallen, deze zullen worden verrekend met deze vordering. 2.13. Bij e-mail van 30 augustus 2015 van haar toenmalige belangenbehartiger heeft SLP BoS aansprakelijk gehouden voor verplichtingen met betrekking tot de portefeuille die Adviesplus in 2010 had. BoS is verzocht en zo nodig gesommeerd de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst jegens SLP na te komen 3Beoordeling 3.1. SLP vordert dat het hof: I. Voor recht verklaart dat BoS op de in de memorie van grieven vermelde gronden toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens SLP, althans onrechtmatig heeft gehandeld dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzichte van SLP; II. 1 primairBoS veroordeelt om binnen zeven dagen na de datum van het te wijzen arrest met betrekking tot onderhavige portefeuille, provisieoverzichten vanaf 15 juli 2010 op te stellen en vervolgens aan SLP ter hand te stellen onder de bepaling dat, indien BoS in gebreke blijft te voldoen aan het hiervoor bepaalde, BoS voor elke dag of deel van een dag een direct opeisbare dwangsom verbeurt van € 5.000,-; II. 2 BoS veroordeelt om SLP tegen kwijting te betalen al hetgeen zij op grond van de hierboven vermelde provisieoverzichten aan SLP verschuldigd is, althans op een bedrag door het hof in goede justitie te begroten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW (en subsidiair artikel 6:119 BW) vanaf iedere maand waarover BoS provisie aan SLP verschuldigd is, subsidiair vanaf 7 oktober 2015, meer subsidiair vanaf 24 juni 2016, en meer meer subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van algehele voldoening; III. subsidiairBoS veroordeelt om de als gevolg van de hierboven onder I. omschreven wanprestatie en/of onrechtmatig handelen en/of ongerechtvaardigde verrijking, door SLP geleden en/of nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW (en subsidiair art. 6:119 BW) vanaf iedere maand waarover BoS provisies aan SLP verschuldigd is, subsidiair vanaf 7 oktober 2015, meer subsidiair vanaf 24 juni 2016, en meer meer subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; IV. primair en subsidiairBoS veroordeelt om SLP tegen kwijting te betalen een bedrag van € 6.422,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; met veroordeling van BoS in de proceskosten. 3.2. De rechtbank heeft, in conventie, de vorderingen van SLP afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt SLP met haar grieven op. BoS komt in onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep op tegen de door de rechtbank, in reconventie, afgewezen vordering tot schadevergoeding op grond van misbruik van procesrecht. Verder handhaaft BoS, voor het geval de vorderingen van SLP zouden worden toegewezen, de door haar in eerste aanleg in voorwaardelijke reconventie ingestelde vorderingen. 3.3. De rechtbank heeft bij de beoordeling in aanmerking genomen dat BoS bij brieven van 15 en 16 juli 2010 in kennis is gesteld van twee verschillende voorgenomen contractsovernemingen die elkaar uitsluiten, omdat zij beide dezelfde contractsverhouding betreffen. Vervolgens is met de brief van 13 augustus 2010 duidelijkheid aan BoS verschaft: de contractsoverneming door BPB vindt wél doorgang, en de contractsoverneming door SLP vindt géén doorgang. Iedere onzekerheid hierover bij BoS is geëindigd met de brief van 27 augustus 2010. In deze brief schrijft [X] - dat is degene die als bestuurder bevoegd is voor zowel Adviesplus als SLP op te treden - namens Adviesplus zonder reserve dat géén contractsoverneming gaat plaatsvinden en dat alles bij het oude blijft, oftewel: dat SLP geen positie ten opzichte van BoS gaat verkrijgen. Op basis van deze omstandigheden is de rechtbank tot het oordeel genomen dat bij BoS het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat SLP geen (provisie)rechten uit de samenwerkingsovereenkomst geldend zou gaan maken op basis van een verkrijging van die rechten in juli/augustus 2010. Het beroep van BoS op rechtsverwerking heeft de rechtbank op basis daarvan gehonoreerd. Vervolgens heeft de rechtbank nog onderzocht of in de dagen tot aan het faillissement van Adviesplus of tijdens dat faillissement een overdracht heeft plaatsgevonden aan SLP, maar geconcludeerd dat dat niet kan worden vastgesteld. Principaal hoger beroep 3.4. Met de grieven 2 tot en met 7 bestrijdt SLP dat rechtsverwerking kan worden aangenomen en betoogt zij dat zij door een overeenkomst van contractsoverneming is getreden in de rechten die Adviesplus jegens BoS had, dan wel dat de vorderingen die uit deze rechtsverhouding voortvloeien aan haar zijn verkocht en geleverd door middel van cessie. Primair stelt zij dat een overdracht van de samenwerkingsovereenkomst, dan wel de daaruit voortvloeiende vorderingen heeft plaatsgevonden op grond van een overeenkomst van 15 juli 2010. Voor deze contractsoverneming heeft BoS volgens SLP bij voorbaat toestemming verleend. Subsidiair betoogt SLP dat de samenwerkingsovereenkomst, dan wel de daaruit voortvloeiende vorderingen door de curatoren in het faillissement van Adviesplus aan haar zijn overdragen.De grieven 2 tot en met 7 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Grief 8 is een zogenaamde veeggrief en behoeft geen afzonderlijke bespreking. 3.5. Ter zitting bij het hof heeft SLP haar stelling ingetrokken dat vorderingen van Adviesplus aan haar zijn overgedragen en geleverd door middel van cessie. Daarmee beperkt het geschil zich tot de vraag of SLP de positie van Adviesplus als partij bij de samenwerkingsovereenkomst met BoS heeft overgenomen, wat juridisch neerkomt op een contractsoverneming, van in dit geval de samenwerkingsovereenkomst tussen Adviesplus en BoS. 3.6. Contractsoverneming is een overeenkomst tussen drie partijen. Voor de overeenkomst tussen de overdragende en overnemende partij is een akte vereist (artikel 6:159 lid 1 BW), de wederpartij kan haar medewerking in elke vorm verlenen, hetzij vooraf, hetzij achteraf. 3.7. SLP stelt dat BoS aan Adviesplus bij voorbaat toestemming heeft verleend voor een contractsoverneming. Volgens SLP was op de samenwerking tussen Adviesplus en BoS een samenwerkingsovereenkomst van toepassing die gelijkluidend was aan de door SLP als productie 26 overgelegde op 27 oktober 2003 gesloten samenwerkingsovereenkomst tussen BoS en Nederlandse Hypotheek Service B.V. (NHS). In artikel 21 van deze overeenkomst is volgens SLP bepaald dat BoS bij voorbaat haar instemming aan NHS heeft gegeven voor een contractsoverneming door een groepsmaatschappij. Op basis daarvan heeft Quarré Nederland B.V. (Quarré), een groepsmaatschappij van NHS, bij overeenkomst van 1 september 2006 de samenwerkingsovereenkomst van NHS overgenomen en is zij de wederpartij van BoS geworden. Quarré heeft op haar beurt de samenwerkingsovereenkomst op 1 juli 2009 overgedragen aan Adviesplus (tevens handelend onder de naam Uveco of Uveco Groep). Deze portefeuille met doorlopende provisie wordt ook wel de ‘Portefeuille Geldgever 80’ genoemd. Quarré en Adviesplus waren groepsmaatschappijen, zodat deze overdracht volgens SLP op grond van artikel 21 van de samenwerkingsovereenkomst heeft plaatsgevonden. BoS heeft volgens SLP tegen de overdracht aan Adviesplus geen bezwaar gemaakt of kunnen maken. Bij brief van 18 augustus 2009 is BoS slechts medegedeeld dat de overdracht zo spoedig mogelijk in de administratie moest worden verwerkt en dat de provisies voortaan aan Adviesplus moesten worden uitbetaald. BoS heeft met Adviesplus geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst gesloten, zodat de hiervoor genoemde voorwaarden nog steeds van toepassing zijn, aldus SLP. 3.8. In dit geding heeft SLP aanvankelijk gesteld, primair, dat Adviesplus de samenwerkingsovereenkomst met BoS bij overeenkomst van 15 juli 2010 (productie 3 van SLP) aan haar heeft overgedragen. Bij brief van 16 juli 2010 is daarvan aan BoS mededeling gedaan (zie onder 2.3). SLP was een groepsmaatschappij van Adviesplus, zodat volgens SLP voor deze contractsoverneming met artikel 21 van de samenwerkingsovereenkomst door BoS bij voorbaat aan Adviesplus toestemming is verleend. SLP voert in hoger beroep (memorie van grieven onder 19) voor het eerst, subsidiair, aan dat zij op 13 oktober 2010 een overeenkomst heeft gesloten met de curatoren van Adviesplus. SLP stelt dat de curatoren met deze overeenkomst ‘voor zover nodig de Schade Leven Portefeuille hebben verkocht en overgedragen aan SLP per 15 juli 2010.’ Voor wat betreft de aanbieders van de Schade Leven Portefeuille, zo stelt SLP, hebben curatoren verwezen naar bijlage 1 bij de overeenkomst van 15 juli 2010 (productie 3 van SLP) en deze wederom als bijlage 1 aan de overeenkomst van 13 oktober 2010 gehecht. In deze bijlage wordt BoS als aanbieder vermeld. Als tegenprestatie hebben curatoren een koopsom van € 200.000 bedongen, die ook is betaald, aldus SLP. SLP wijst in dit verband naar een brief van 19 november 2010 van curator De Koning die gericht is aan de relaties van Adviesplus. 3.9. Deze brief van curator De Koning van 19 november 2010 is gericht “Aan de relaties van Adviesplus B.V.” en, voor zover hier van belang, als volgt luidt: “In aansluiting op mijn brief van 18 oktober jl. ter zake van de overdracht van de schade/leven portefeuille van Adviesplus B.V. bericht ik u als volgt. Het is mij gebleken dat er bij aanbieders vragen zijn gerezen ten aanzien van de brief van 18 oktober 2010. Ik benadruk dat het u vrij staat voor de betreffende portefeuille, zaken te doen met de besloten vennootschap Schade Leven Portefeuille B.V.. Indien nodig, zal ik in mijn hoedanigheid van curator van Adviesplus B.V. medewerking verlenen ten aanzien van de levering van de portefeuille. Betaling van provisies ten aanzien van deze portefeuille verschuldigd vanaf 15 juli 2010 kunt u, ten opzichte van de faillissementsboedel van Adviesplus B.V., bevrijdend verrichten aan Schade Leven Portefeuille B.V.” De genoemde brief van 18 oktober 2010 van curator De Koning, waarnaar in de brief van 19 november 2010 wordt verwezen en die is gericht “Aan de relaties van Adviesplus B.V.”, luidt, voor zover van belang, als volgt: “Voorafgaand aan haar faillissement heeft Adviesplus B.V. een gedeelte van haar portefeuille verkocht aan Schade Leven Portefeuille B.V. (…). Deze portefeuille bestaat uit financiële producten aangeboden door een groot aantal aanbieders. Ten tijde van het uitspreken van het faillissement hadden nog niet alle aanbieders de voor de overdracht vereiste instemming (c.q. medewerking) verleend aan de portefeuilleoverdracht. Als gevolg van de onvoltooide (of partiële) levering van deze portefeuille is de portefeuille verdeeld en dit bemoeilijkt de correcte dienstverlening aan het intermediair en de consument. In het belang van deze partijen en de boedel is de curator bereid aan de verdere overdracht van de portefeuille mee te werken zal derhalve alsnog medewerking verlenen aan de leveringen die ten tijde van het faillissement (nog) niet hebben plaatsgevonden. Ik vertrouw erop u hierbij naar voldoening te hebben geïnformeerd, en reken op uw medewerking aan de levering waaromtrent u dezer dagen opnieuw zult worden benaderd door Schade Leven Portefeuille B.V.” 3.10. BoS stelt dat zij de genoemde brieven van de curator van 18 oktober 2010 en 19 november 2010 niet heeft ontvangen. 3.11. Tussen partijen is niet in geschil dat SLP zich voor het eerst bij e-mail van 30 augustus 2015 van haar toenmalige belangenbehartiger tot BoS heeft gewend met het verzoek en de sommatie om de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst jegens SLP na te komen. De huidige advocaat van SLP heeft zich bij brief van 16 juni 2016 tot BoS gewend. 3.12. Het hof overweegt dat SLP in eerste aanleg geen melding heeft gemaakt van de overeenkomst die zij op 13 oktober 2010 heeft gesloten met de curatoren van Adviesplus. Voor het eerst in de memorie van grieven is deze overeenkomst genoemd en heeft SLP de door haar gestelde contractsoverneming in subsidiair verband op deze overeenkomst gebaseerd. Primair wordt in de memorie van grieven vooralsnog het in eerste aanleg ingenomen standpunt gehandhaafd dat door de overeenkomst die SLP op 15 juli 2010 met Adviesplus heeft gesloten een contractsoverneming tot stand is gebracht. De overeenkomst van 13 oktober 2010 die SLP met de curatoren van Adviesplus heeft gesloten, is niet bij de memorie van grieven overgelegd. BoS heeft bij memorie van antwoord (onder 140) SLP verzocht de overeenkomst van 13 oktober 2010 in het geding te brengen. Dat heeft SLP ongeveer een jaar later gedaan (productie 79), twee weken voor het pleidooi in hoger beroep. Ter zitting heeft het hof SLP in verband met het aktevereiste van artikel 6:159 lid 1 BW gevraagd om concreet te maken wat volgens haar de overeenkomst van contractsoverneming is waarop zij haar vorderingen baseert: de overeenkomst van 15 juli 2010 of die van 13 oktober 2010, althans duidelijk te maken wat de verhouding is tussen deze twee overeenkomsten. SLP heeft vervolgens haar standpunt in die zin verduidelijkt dat de contractuele grondslag voor de contractsoverneming met de overeenkomst van 15 juli 2010 is gelegd. De curatoren van Adviesplus wilden niet onvoorwaardelijk erkennen dat met deze overeenkomst een contractsoverneming tot stand was gebracht. De discussie speelde onder andere of de opschortende voorwaarde van de instemming van de grootste aanbieders wel was vervuld en of die voorwaarde nog wel tijdens het faillissement vervuld kon worden. Uiteindelijk is de overeenkomst van 13 oktober 2010 met de curatoren gesloten. Daardoor zijn volgens SLP alle twijfels weggenomen of de contractsoverneming wel tot stand is gekomen. Ter zitting heeft SLP meegedeeld dat zij zich thans uitsluitend baseert op deze tweede overeenkomst van 13 oktober 2010. Daarmee is volgens haar de samenwerkingsovereenkomst tussen Adviesplus en BoS bij wijze van contractsoverneming door SLP overgenomen. Deze nadere invulling van haar standpunt door SLP leidt ertoe dat een deel van het verweer van BoS, dat onder andere ziet op het bestaan van de overeenkomst van 15 juli 2010, de geldigheid en de inhoud daarvan, niet hoeft te worden besproken. 3.13. BoS heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep aan de hand van de tekst van de overeenkomst van 13 oktober 2010 bestreden dat de samenwerkingsovereenkomst die zij met Adviesplus heeft gesloten door de curatoren met deze overeenkomst is verkocht en overgedragen aan SLP. Zij voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van de portefeuille die Adviesplus in haar verhouding tot BoS had, wordt in de overeenkomst van 13 oktober 2010 slechts gesproken over een overdracht aan BPB, die vervolgens is vernietigd. In de overeenkomst van 13 oktober 2010 staat niet dat SLP door contractsoverneming partij is geworden bij de samenwerkingsovereenkomst met BoS. Afgezien daarvan is de overeenkomst van 13 oktober 2010 hoe dan ook geen overeenkomst van contractsoverneming, maar een schikkingsovereenkomst waarin de curatoren zich ten opzichte van SLP slechts hebben verbonden zich in te spannen om de medewerking van verschillende aanbieders te verkrijgen in verband met de overdracht van de zogenaamde Schade Leven Portefeuille aan SLP. BoS is geen aanbieder van Schade/Levenproducten, aldus BoS. 3.14. Het hof overweegt het volgende. Uit de overeenkomst van 13 oktober 2010 blijkt dat deze is gesloten door de curatoren van Adviesplus met Leven Portefeuille Beheer B.V. (LBP), BPB, SLP en AFAB Holding N.V. (AFAS). In deze overeenkomst wordt SLP met “Schade Leven” aangeduid. In overweging D van de overeenkomst van 13 oktober 2010 staat dat Adviesplus op 15 juli 2010 als verkoper de volgende overeenkomsten tot contractsovername heeft gesloten met (onder meer): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.