afdeling strafrecht parketnummer: 23-001951-18 datum uitspraak: 6 november 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-706018-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1956, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en voert daartoe het volgende aan. Het openbaar ministerie heeft nagelaten belangrijk bewijsmateriaal te vergaren en heeft belangrijk ontlastend bewijsmateriaal ten onrechte niet gevoegd in het dossier van de verdachte. Dit vormverzuim zou gezien de ernst daarvan moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, aldus de raadsman. Het hof overweegt en beslist als volgt. Het hof is van oordeel dat het door de raadsman overgelegde stuk, te weten de e-mail van 4 mei 2018 van curatoren van [bedrijf], en de email van 20 april 2018 van [naam 1] door de officier van justitie ingebracht hadden moeten worden. Door dit niet te doen, heeft de officier van justitie onzorgvuldig gehandeld. Hierbij is sprake van een vormverzuim dat herstelbaar is. Niet blijkt van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat reeds gezien de omstandigheid dat bedoelde stukken inmiddels zijn gevoegd in het dossier en daarvan deel uitmaken dit verzuim is hersteld en er dus geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Artikel 359a Sv is derhalve niet van toepassing (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). Naar het oordeel van het hof is verder onvoldoende onderbouwd dat, en in welke mate, er door het gestelde vormverzuim, het nalaten om de telefoon te onderzoeken, zou zijn tekort gedaan aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het is niet aannemelijk geworden dat, zou al sprake zijn van een vormverzuim, aan dit recht is tekort gedaan op een wijze die tot het oordeel zou leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Immers, het openbaar ministerie heeft niet gesteld dat de verdachte niet op de [markt] markt handelde, alleen dat daar niet met grote contante bedragen werd gehandeld. Het verweer wordt verworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 juli 2016, te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten 218.405,00 euro en/of 90.675,00 Britse pond , heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten 218.405,00 en/of 90.675,00 Britse pond, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging – vermoeden van witwassen De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair vrijspraak bepleit van hetgeen de verdachte is ten laste gelegd. Hij heeft daartoe - tot de kern samengevat - aangevoerd dat het geld in de auto van de verdachte is aangetroffen, aantoonbaar een legale herkomst heeft en dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de gevolgtrekking dat het geld een andere herkomst heeft dan de verdediging heeft betoogd. Het hof overweegt en beslist als volgt. De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij grote geldbedragen voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Nu het dossier geen direct bewijs voor een concreet gronddelict bevat, zal allereerst moeten worden vastgesteld of er in de gegeven omstandigheden sprake is van een duidelijk vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst van de geldbedragen. De verdachte is op 30 juli 2016 door de politie in zijn auto aangetroffen bij een parkeerplaats aan het Suze Groenewegplantsoen in Amsterdam-West. Bij zijn aanhouding bleek dat hij, verpakt in rugtassen en plastic tassen, een grote hoeveelheid contant geld in zijn auto vervoerde, namelijk € 218.405,- en 90.675,- Britse ponden. Over zijn aanwezigheid op het Suze Groenewegplantsoen heeft de verdachte aanvankelijk tegenover de politie verklaard vanuit Brussel op weg te zijn geweest naar Schiphol om zijn baas op te halen, en op het Suze Groenewegplantsoen terecht te zijn gekomen doordat hij de juiste afslag had gemist. Verbalisanten hebben opgemerkt dat gezien de ligging van het Suze Groenewegplantsoen ten opzichte van de luchthaven Schiphol het zeer onwaarschijnlijk was dat hij daar per ongeluk terecht was gekomen. In de geschiedenis van de door de verbalisant onderzochte navigatie van de verdachte bleek bovendien het Suze Groenewegplantsoen als bestemming te zijn ingevoerd. Ook bleek de baas van de verdachte die dag niet op Schiphol te zijn, maar op zijn kantoor in Birmingham. Hij verklaarde telefonisch aan de politie geen idee te hebben waarom de verdachte in Amsterdam was. De grote hoeveelheden contant geld en de op het eerste gezicht leugenachtige verklaring van de verdachte maken dat er een gerechtvaardigd vermoeden is ontstaan dat de verdachte zich schuldig maakte aan witwassen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het vervoeren van grote bedragen in contanten in een personenauto een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt en bovendien zeer ongebruikelijk is in het geval dat geld op legale wijze is verkregen. Als gevolg van dit gerechtvaardigd vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete en min of meer verifieerbare verklaring geeft omtrent de herkomst van het geld. Dit houdt niet in dat van de verdachte mag worden gevergd dat deze verklaring volledig sluitend is - de verdachte hoeft niet zijn onschuld te bewijzen - maar anderzijds mag deze verklaring ook niet zo onwaarschijnlijk zijn dat daar bij voorbaat aan voorbij kan worden gegaan. De verdachte heeft over de herkomst van het geld het volgende verklaard. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf]. in Birmingham, een bedrijf dat handelde in goud en juwelen. De verdachte reisde hiervoor wekelijks naar Brussel waar het bedrijf een winkel, genaamd [winkel], had. Van daaruit werden relaties en (antiek)markten bezocht, waaronder de nabijgelegen [markt] markt, voor het doen van aankopen. Vaak gebeurde dat door betaling in contanten. Het in zijn auto aangetroffen geld had de verdachte in Birmingham meegekregen van zijn baas, de heer [naam 2], om inkopen te doen. Een deel van het geld was nog geseald en afkomstig van de NatWest Bank in Birmingham. Verder had de verdachte een bedrag van hem persoonlijk van ongeveer 3.000 Euro of Engelse ponden bij zich. De verdachte lijkt hiermee een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld te geven. Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de bedragen op de APPRO notes, die bij de verdachte zijn aangetroffen, niet corresponderen met de bedragen die hij bij zich had. Daar komt bij dat een afschrift van deze APPRO notes op 27 maart 2018 niet (meer) in de administratie was terug te vinden van [bedrijf], hetgeen wel gebruikelijk is, zoals ook [naam 2] heeft verklaard bij de rechtbank op 7 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.