GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.237.804/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5509447 CV EXPL 16-32828 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2019 inzake OOSTEINDE MONUMENTEN B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, en verweerster in het incident, advocaat: mr. P.J. Sandberg te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats], geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, en eiser in het incident, advocaat: mr. M. Ouarani te Beek (LB). 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Oosteinde en [geïntimeerde] genoemd. Oosteinde is bij dagvaarding van 15 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 juli 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Oosteinde als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en onder andere [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en memorie in het incident; - memorie van antwoord in incidenteel appel en in het incident, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 6 juni 2019 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. Oosteinde heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar in hoger beroep deels gewijzigde, althans vermeerderde vordering zal toewijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten en restitutie van hetgeen Oosteinde op grond van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft in het incident naar voren gebracht dat Oosteinde niet-ontvankelijk is in haar vordering op grond van artikel 7:269 lid 2 BW, en in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten. Oosteinde heeft bestreden dat zij niet-ontvankelijk is in principaal hoger beroep. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis partieel zal vernietigen, met beslissing over de proceskosten.In incidenteel hoger beroep heeft Oosteinde geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 2.1. Sinds 3 juni 2010 verhuurt Oosteinde aan [naam] de woonruimte aan de [adres] (hierna ook: de woning). Het gehuurde bestaat uit drie woonlagen, gelegen boven een souvenirwinkel. 2.2. Ingevolge de huurovereenkomst is het gehuurde bestemd om te worden gebruikt als woonruimte, waarbij het huurder is toegestaan het gehuurde (gedeeltelijk) onder te verhuren. Het is, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming, niet toegestaan het gehuurde een andere bestemming te geven. 2.3. [naam] exploiteert een horeca-onderneming. Hij heeft de woning aanvankelijk gehuurd om deze onder te verhuren aan zijn personeel. Oosteinde was hiervan bij het aangaan van de huurovereenkomst op de hoogte. 2.4. In juni 2014 heeft [naam] de woning onderverhuurd aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft zich vervolgens ingeschreven op het adres van de woning en melding gemaakt bij de gemeente dat hij de woning gaat verhuren in het kader van Bed & Breakfast (B&B). In de huurovereenkomst tussen [naam] en [geïntimeerde] is gebruik als B&B toegestaan. 2.5. Op verzoek van de gemeente Amsterdam heeft de brandweer op 31 maart 2016 een inspectie in de woning uitgevoerd. Bij brief van 31 maart 2016 heeft de brandweer daarover aan de gemeente onder meer het volgende bericht: “Op elke verdieping is links en rechts een verblijfsruimte. (…) Op de 1e en de 2e verdieping vormen de twee verblijfsruimtes één logiesverblijf doordat er 2 kamers per verdieping worden verhuurd. Op de 3e verdieping kunnen de kamers apart worden verhuurd. In totaal hebben wij in de twee logiesverblijven 3 toeristen aangetroffen. In het hele gebouw hebben wij in totaal 17 slaapplaatsen aangetroffen. Op basis van de aangetroffen situatie hebben wij geconstateerd dat dit gebouw feitelijk gebruikt wordt als hotel. (…) Onze conclusie is dat in het object sprake is van een vlucht- en brandonveilige situatie. De brandweer acht het noodzakelijk dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd en adviseert het Stadsdeel hiervoor passende maatregelen te nemen.” 2.6. Bij besluit van 31 maart 2016 heeft de gemeente Oosteinde en [geïntimeerde] gelast het gebruik van de woning als logiesgebouw/hotel/short stay appartementen onmiddellijk te staken en gestaakt te houden en zij heeft de woning voor in ieder geval drie maanden gesloten. In het besluit is verder onder meer bepaald: “Op de derde verdieping troffen de toezichthouders (…) [geïntimeerde] aan, in het verblijf aan de voorkant. Hij verklaarde een B&B te hebben en te wonen op deze verdieping. De toezichthouders troffen echter lege kasten, een lege ijskast en geen kleding, zoals schoenen aan. Wel lagen er matrassen op de vloer. Eén van de matrassen zag er beslapen uit. (…) [geïntimeerde] verklaarde dat hij hier slaapt en dat hij werkt in de winkel en dat zijn eten in de ijskast van de winkel ligt. (…) Op basis van de aangetroffen situatie komen wij tot de conclusie dat er geen sprake is van woningen (…) maar van strijdig gebruik en overtreding. De overtreding is niet legaliseerbaar, omdat wij geen nieuwe hotels willen in dit gebied. Dit betekent dat er, naast de strijdigheid met de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit, de Woningwet en de Wabo aspect brandveilig gebruik, ook sprake is van strijd met het bestemmingsplan.” 2.7. Bij brief van 21 september 2016 heeft Oosteinde de huurovereenkomst met [naam] buitengerechtelijk ontbonden. Deze ontbinding is echter nietig. 2.8. Op 25 oktober 2016 hebben [naam] als verhuurder en [geïntimeerde] als huurder een overeenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is bepaald: “1. Verhuurder doet per direct afstand van alle rechten en plichten die opkomen uit de huurovereenkomst met Oosteinde (…) en stelt huurder in zijn plaats. 2. Huurder aanvaardt per direct de indeplaatsstelling en alle rechten en plichten die zijn verbonden aan de huurovereenkomst d.d. 3 juni 2010. Huurder verklaart bekend te zijn met de voornoemde huurovereenkomst. 3. Huurder verklaart verhuurder te vrijwaren voor eventuele aanspraken van Oosteinde (…) opkomend uit voornoemde huurovereenkomst, voor zoveel deze aanspraken betrekking hebben op de periode na ondertekening van deze overeenkomst.” 2.9. Nadat [geïntimeerde] een bedrijfsplan heeft geschreven, heeft hij op 31 oktober 2016 de sleutels terug ontvangen van de gemeente onder de voorwaarde dat hij zich aan de B&B regels zal houden. 3Beoordeling 3.1. Bij inleidende dagvaarding heeft Oosteinde vorderingen ingesteld tegen zowel [naam] als [geïntimeerde]. Oosteinde heeft daarbij ontbinding van de huurovereenkomst tussen Oosteinde en [naam] en veroordeling van [naam] tot ontruiming alsmede veroordeling in proceskosten gevorderd. Deze vorderingen heeft de kantonrechter toegewezen. Oosteinde heeft in eerste aanleg ook gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld het tegen [naam] te wijzen vonnis te gehengen en gedogen alsmede dat hij wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten. Deze vorderingen heeft de kantonrechter afgewezen. In reconventie heeft [geïntimeerde] vorderingen ingesteld die er toe strekken dat Oosteinde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en schadevergoeding aan hem verschuldigd is (primair) en dat Oosteinde ongerechtvaardigd is verrijkt (subsidiair), alles met veroordeling van Oosteinde in de proceskosten. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. In het incident 3.2. [eiser] heeft gesteld dat Oosteinde niet-ontvankelijk is in haar vordering op grond van artikel 7:269 lid 2 BW omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.