← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:4556

afdeling strafrecht parketnummer: 23-004244-18 datum uitspraak: 17 december 2019 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-129475-18 tegen de veroordeelde [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedag] 1969, adres: [adres]. Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 182.339,

  1. De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2018 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal in vereniging. Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 20 november 2018 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 45.584,95 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de veroordeelde is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2019 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 45.584,95 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging heeft primair het hof verzocht de vordering af te wijzen in verband met de door haar bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op het bedrag waarvan de veroordeelde heeft verklaard dat zij dat heeft verdiend door haar woning ter beschikking te stellen voor hennepteelt. In de hoofdzaak is de veroordeelde vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde medeplegen van het telen van hennep en van de diefstal in vereniging van elektriciteit. De ontnemingsrapportage d.d. 25 juni 2018 gaat uit van een veroordeling voor die feiten. Immers is de berekening gebaseerd op de verkoop van de opbrengst van de in de woning van de veroordeelde aangetroffen hennepkwekerij. Nu het hof de veroordeelde van de voornoemde feiten heeft vrijgesproken, ligt niet voor de hand de winst die eventueel is behaald met de verkoop van de opbrengst van de geteelde hennepplanten (pondspondsgewijs) aan haar toe te rekenen. Er is voorts geen aanwijzing dat de veroordeelde in de periode voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode hennep heeft geteeld en in de opbrengst van de verkoop daarvan heeft gedeeld. Bij die stand van zaken is het redelijk bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van de verklaringen van de veroordeelde ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij per maand € 500,- ontving voor de huur vermeerderd met twee keer een bedrag van € 2.500,- voor een geslaagde oogst. Dergelijke verdiensten passen beter bij de rol die de verdachte heeft gespeeld dan een pondspondsgewijs meedelen in de winst. De veroordeelde heeft verklaard dat zij haar woning heeft verhuurd vanaf mei/juni
  2. Het hof zal daarom uitgaan van een periode van 6 maanden waarin zij huur heeft ontvangen. Deze periode vindt steun in het feit dat de aangetroffen hennepplanten ongeveer 3 weken oud waren en een gemiddelde teeltcyclus ongeveer 10 weken duurt. Twee kweekcycli plus de 3 weken die de in beslag genomen planten oud waren, levert ongeveer 6 maanden op. Op basis van het voorgaande komt het hof tot de volgende schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel: (6 x € 500,-) + (2 x € 2.500,-) = € 8.000,-. Verplichting tot betaling aan de Staat Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.000,-. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro). Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december
  3. Mr. P.C. Römer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […] Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2018, p. 35-
  4. BOOM-rapportage ‘Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’, update van 1 juni 2016.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.