afdeling strafrecht parketnummer: 23-000343-18 datum uitspraak: 12 december 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-034011-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Basisweg, in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, in elk geval tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit meermalen schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd van deze [benadeelde] en/of schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen en/of (krachtig) duwen tegen het lichaam van deze [benadeelde], of hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [benadeelde] eenmaal of meermalen ten het lichaam en/of het hoofd heeft/ hebben geschopt en/of geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof heeft beraadslaagd op grondslag van een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging en omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring, een andere kwalificatie van het bewezenverklaarde, een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken op de grond dat de verdachte geen geweld heeft gepleegd tegen de aangever [benadeelde], maar hem slechts een duw heeft gegeven. Het hof verwerpt het overweegt als volgt. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [benadeelde] enkel een duw heeft gegeven niet aannemelijk geworden en gaat uit van de bewijsmiddelen zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 26 oktober 2016 met A. [medeverdachte] op de Basisweg in Amsterdam reed, alwaar hun auto in botsing kwam met de betonwagen van de aangever [benadeelde]. De verdachte en [medeverdachte] zijn uit de auto gestapt en naar [benadeelde] toegelopen. [benadeelde] voelde dat hij geduwd werd en op zijn linker kaak werd geslagen, waarna hij op de grond viel en van alle kanten werd geschopt of geslagen. De getuige [getuige 1] zag dat de twee mannen die uit de auto waren gestapt op de man aan het inschoppen waren toen de man op de grond lag. Ook de getuige [getuige 2] zag twee jongens op één persoon schoppen die op de grond lag. [benadeelde], [getuige 1] en [getuige 2] zijn in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en zijn in de kern bij hun eerdere verklaringen gebleven. Hieruit volgt dat de verdachte evenals [medeverdachte] een significante bijdrage had aan het op de openbare weg gepleegde geweld jegens [benadeelde]. Het overige dat de raadsvrouw heeft aangevoerd wordt eveneens weerlegd door de inhoud van die bewijsmiddelen, zodat haar verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 26 oktober 2016 te Amsterdam, openlijk, te weten op de openbare weg, de Basisweg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit schoppen en slaan en duwen tegen het lichaam van [benadeelde]. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop, de omstandigheid dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, de verstandelijke beperking van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon. Daarbij is het slachtoffer tegen het lichaam geschopt, geslagen en geduwd. Dergelijk geweld, gepleegd aan de openbare weg, versterkt de reeds in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, hiervan nog lang psychische klachten kunnen ondervinden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2019 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld. Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters bij openlijk geweld tegen personen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis genoemd. Dit neemt het hof tot uitgangspunt. In het tijdsverloop en hetgeen de raadsvrouw omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte heeft aangevoerd, vindt het hof aanleiding een deel van de taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.387,91, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit de navolgende schadeposten: immateriële schade € 2.000,00 materiële schade (totaal) € 387,91
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.