← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2019:4726

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000777-19 (89 Sv) en 000955-19 (591a Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-00429-14 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. D.G. Peters, [adres]. 1Procesverloop Het verzoekschrift is op 25 juni 2019 ingekomen. Op 5 augustus 2019 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 31 oktober 2019 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamerzitting verschenen.

  1. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 5.195,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 550,
  2. 3Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 24 mei 2019 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 89 Sv Appellant is op 15 oktober 2014 in verzekering gesteld. Vervolgens is op 17 oktober 2014 de voorlopige hechtenis van appellant bevolen. Appellant is op 18 december 2014 in vrijheid gesteld. Bij arrest van 24 mei 2019 van dit hof is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard, kort samengevat vanwege de lange duur waarop een uitspraak op pre-justitiële vragen van het Hof van Justitie van de EU betreffende de strafbepaling van artikel 197 Sr op zich laat wachten. Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. In zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 heeft de Hoge Raad erop gewezen dat bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een tegemoetkoming en bij het bepalen van de hoogte daarvan een belangrijke rol kan spelen in hoeverre de verdachte de voorlopige hechtenis ‘aan zijne eigen houding te wijten heeft’. Daarmee citeerde de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 90 Sv. Voorts is in dit arrest van de Hoge Raad onder meer de volgende passage weergegeven uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding): ‘De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. (...).’ (Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3) Op 28 oktober 1994 is verzoeker een beschikking tot ongewenstverklaring van 2 september 1994 uitgereikt. Vanaf die dag rust op verzoeker de verplichting om Nederland te verlaten. Hieraan heeft verzoeker niet voldaan. Gebleken is dat de Nederlandse overheid (herhaaldelijk) inspanningen heeft verricht ter fine van uitzetting van verzoeker. Verzoeker heeft na en ondanks zijn ongewenstverklaring in Nederland verbleven en herhaaldelijk de strafwet overtreden. Verzoeker is meermaals strafrechtelijk veroordeeld wegens overtreding van artikel 197 Sr en ook wegens diverse andere strafrechtelijke delicten. Op 18 december 2015 is verzoeker aangehouden terzake overtreding van artikel 453 Sr. Nadat was gebleken dat verzoeker ongewenst vreemdeling was, is verzoeker voor overtreding van artikel 197 Sr aangehouden en vervolgd. Als gevolg van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is niet komen vast te staan dat verzoeker de strafwet heeft overtreden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is. In beginsel komt verzoeker daarom in aanmerking voor een vergoeding van schade die door de vrijheidsbeneming is geleden. In het gedrag van de verzoeker zoals hiervoor weergegeven –in weerwil van de ongewenstverklaring in Nederland verblijven, de strafwet overtreden- ziet het hof echter gronden van billijkheid een aanmerkelijk lagere vergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding zoals vastgesteld door het LOVS. Het hof zal in dit geval en in soortgelijke gevallen - behoudens bijzondere omstandigheden - als vuistregel een vergoeding hanteren van € 75,00 per week of per deel van een week in voorarrest doorgebracht. Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane verzekering en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 750,
  3. Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 591a Sv Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 550,
  4. 4Beslissing Het hof : Wijst het verzochte toe. Kent op de voet van artikel 89 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro). Bepaalt de verrekening van bovenstaand bedrag met de onderstaande geldsommen: CJIB-nummer openstaand bedrag verrekening [nummer 1] € 303,00 € 303,00 [nummer 2] € 254,00 € 254,00 Kent op de voet van artikel 591a Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.J.A. Plaisier en A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 december
  5. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van - € 303,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 1]; - € 254,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 2]; - € 743,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. Stichting beheer derdengelden advocatenkantoor Struycken o.v.v. [verzoeker]. Amsterdam, 24 december
  6. mr. R.D. van Heffen, voorzitter.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.