afdeling strafrecht parketnummer: 23-003124-17 datum uitspraak: 20 december 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-036142-17 tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2019 en 10 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 21 augustus 2016 te Wervershoofd, gemeente Medemblik, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan een openbare weg, te weten de Dorpsstraat, in elk geval op of aan een openbare plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer personen, te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], welk geweld bestond uit, het één of meerdere malen (met kracht) slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen op en/of tegen het lichaam en/of hoofd van die (op de grond liggende) [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen. Bespreking van het gevoerde bewijsverweer De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij ten tijde van de incidenten op 21 augustus 2016 niet meer op de kermis in Wervershoof aanwezig was. Hij was op dat moment al thuis; zowel de verdachte als zijn vriendin [naam 1] hebben dat verklaard. De omstandigheid dat getuigen hebben verklaard de verdachte daar toen wel te hebben gezien, berust op een misverstand, nu geen van de getuigen de verdachte voorafgaand aan het incident kende, zodat zij hem ook niet konden herkennen. Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt als uitgangspunt voor het vaststellen van de feiten de bij de politie afgelegde verklaringen. Deze verklaringen zijn het kortst na het incident afgelegd, en daarom naar het oordeel van het hof het meest betrouwbaar, omdat de gebeurtenissen waarover door de getuigen is verklaard hen toen nog vers in het geheugen lagen. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat op 21 augustus 2016 vanaf omstreeks 23.00 uur tegen [benadeelde 3], [benadeelde 1] en [benadeelde 2] openlijk geweld is gepleegd en dat de verdachte daaraan een significante bijdrage heeft geleverd. [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij de verdachte herkende als een van de geweldplegers en dat hij de verdachte ‘via via’ kent. [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij de verdachte en [medeverdachte], een van de andere geweldplegers, kent van het [plek] in Grootebroek, dat hij hoorde dat [benadeelde 1] en [benadeelde 3] klappen hadden gehad van [medeverdachte] en de verdachte en dat hij vervolgens in het conflict terecht kwam en daarbij een klap kreeg van [medeverdachte]. [benadeelde 3] heeft verklaard dat hij van een groep jongens klappen en schoppen kreeg, dat hij de jongen die hem bij de keel pakte kent als [medeverdachte] en dat “[verdachte]” van wie hij de achternaam niet kent, deel uitmaakte van de groep jongens die hem sloegen en schopten. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij de verdachte geweld heeft zien plegen. Dat geldt ook voor de getuige [getuige 2] uit wiens verklaring volgt dat hij de verdachte kende. Gelet hierop acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte ten tijde van de geweldplegingen al naar huis was en mist het verweer dat geen van getuigen (en aangevers) de verdachte voorafgaand aan het feit kenden feitelijke grondslag. Aan het beroep dat de verdachte heeft gedaan op de zijn alternatieve lezing ondersteunende verklaring van zijn vriendin [naam 1], hecht het hof geen betekenis, mede in aanmerking genomen dat zij tegen haar veroordeling ter zake van meineed, betrekking hebbend op juist deze verklaring, geen hoger beroep heeft ingesteld, zodat haar veroordeling inmiddels onherroepelijk is geworden. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich aan openlijke geweldpleging schuldig heeft gemaakt en verwerpt het verweer in al zijn onderdelen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 augustus 2016 te Wervershoof, gemeente Medemblik, met anderen, op een openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3], welk geweld bestond uit het met kracht slaan en schoppen tegen het lichaam en hoofd van die (op de grond liggende) [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3]. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen en maatregel De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met anderen op de openbare weg ernstig fysiek geweld gebruikt tegen een aantal personen, waarbij zij onder meer (op de grond liggend) zijn geschopt en geslagen door de groep van personen waartoe de verdachte behoorde. Behalve dat daarmee ernstig inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en de openbare orde hevig is verstoord, wekken en versterken dit soort feiten gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 november 2019 is hij door de kinderrechter ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard weinig contact te hebben met zijn oude vrienden en zich thans op zijn werk en zijn gezin te richten. Hij is nuchter niet agressief, maar komt door bovenmatig alcohol gebruik nu en dan in de problemen. Hij krijgt thans geen hulp om zijn alcoholgebruik onder controle te krijgen. Naar het oordeel van het hof doet de vordering van de advocaat-generaal, gelet op het toegepaste geweld en het thans nog aanwezige recidiverisico, onvoldoende recht aan de ernst van feit. Het hof vindt naast een taakstraf ook oplegging van een gevangenisstraf geboden. Deze gevangenisstraf zal voorwaardelijk niet ten uitvoer worden gelegd, mede om als stok achter de deur de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.