afdeling strafrecht parketnummer: 23-000940-18 datum uitspraak: 15 februari 2019 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-800319-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Angola) op [geboortedag] 1974, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof: - de bij de strafoplegging toe te passen artikelen aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht; - respondeert op de in hoger beroep gevoerde verweren. In hoger beroep gevoerde verweren De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de aan hem onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de bedreiging bepleit de raadsman dat in de aangifte niet is gesproken over bedreiging. Met betrekking tot de mishandeling voert de raadsman aan dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de mishandeling vanwege de aanwezigheid van een bij hem aanwezige geestelijke stoornis. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht Het hof leidt uit de aangifte af dat de verdachte aangeefster met de arm om de nek/hals heeft vastgepakt en in een wurggreep heeft genomen, terwijl hij een mes in zijn hand had. De verdachte heeft aangeefster vervolgens de trap opgetrokken, waarna zij samen van de trap zijn gevallen. Voorts heeft de verdachte met dat mes het raam van de voordeur ingeslagen. Omdat aangeefster zich niet veilig voelde, heeft zij de politie gebeld. In haar aangifte verklaart aangeefster dat verdachte gevaarlijk is en in staat is om mensen met een mes neer te steken. Aangeefster bevond zich – ook naar objectieve maatstaven bezien – in een zeer bedreigende situatie en voelde zich niet veilig, hetgeen ondersteuning vindt in het proces-verbaal van de verbalisanten ter plaatse. Het hof is van oordeel dat voornoemde omstandigheden van dien aard zijn dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen dan wel het leven zou kunnen verliezen. Dat in de aangifte niet met zoveel woorden over (be)dreiging wordt gesproken, doet daaraan niet af. Mishandeling De raadsman heeft bepleit dat het opzet op de mishandeling ontbreekt vanwege een geestelijke stoornis. Daarvan is blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake als bij de dader ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ontbreekt, hetgeen slechts bij hoge uitzondering het geval zal zijn. Verdachte heeft mogelijk vanuit een psychotische beleving gehandeld, maar niet is gebleken dat hem ieder inzicht ontbrak. Immers heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij weet dat enkel hij de voodoo-slang kan zien en anderen niet. Desalniettemin heeft hij gemeend zijn pleegmoeder te moeten verdedigen tegen deze – enkel voor hem zichtbare – slang op de wijze zoals hij heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op het bij zijn pleegmoeder toebrengen van letsel, aldus mishandeling, heeft aanvaard. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en concludeert tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde. Beroep op putatief noodweer Voorts heeft de raadsman gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit putatief noodweer, nu de verdachte het (dreigende) gevaar heeft ingebeeld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de feiten niet toe te rekenen zijn omdat drugsgebruik, een stoornis en ontoerekeningsvatbaarheid samen kunnen gaan. Het hof oordeelt als volgt. Indien een beroep is gedaan op putatief noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich (of een ander) moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Het hof wil er wel van uitgaan dat de verdachte in zijn beleving een voodoo-slang ziet welke andere mensen niet zien. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij deze slang altijd ziet, ongeacht zijn middelengebruik. Tevens heeft de verdachte verklaard cocaïne te hebben gebruikt voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten en het hof gaat daarvan uit. Dat mede onder invloed van middelengebruik psychotische belevingen kunnen ontstaan, kan worden afgeleid uit de psychiatrische Pro Justitia-rapportage van 15 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.