13-701012-19 GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in [locatie], tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2019, voor zover houdende bevel tot haar gevangenhouding. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2019, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beschikking van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. M. Rafik. Bij de behandeling in raadkamer heeft de raadsman namens de verdachte een mondeling schorsingsverzoek gedaan. De beoordeling Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de gronden waarop deze berust, onder toevoeging van de grond vluchtgevaar als hierna gemotiveerd en met uitzondering van de onderzoeksgrond. Deze laatste grond komt te vervallen, voor zover deze nog aan de voorlopige hechtenis ten grondslag ligt. Met de rechtbank acht het hof ernstige bezwaren aanwezig in de inhoud van het dossier voor de feiten 1 en 2 op de vordering inbewaringstelling vermeld. Het hof ziet aanleiding de grond vluchtgevaar mede aan het bevel voorlopige hechtenis ten grondslag te leggen. Verdachte is Brits burger en heeft een adres in het Verenigd Koninkrijk. Zij is aangehouden op de luchthaven Schiphol terwijl zij op het punt stond uit Nederland te vertrekken. Gelet op de naderende Brexit is onduidelijk of de verdachte voor de Nederlandse justitie nog traceerbaar of beschikbaar zal zijn bij een vertrek naar het Verenigd Koninkrijk. Wat de recidivegrond betreft constateert het hof dat er ernstige bezwaren zijn dat de verdachte zich in korte tijd schuldig heeft gemaakt aan een reeks lucratieve delicten. Hieraan is eerst door het ingrijpen van de politie een eind gekomen. De verdachte heeft weliswaar gezegd spijt te hebben van haar handelen, maar heeft niet uit kunnen leggen waarom zij dan toch zo gehandeld heeft. In deze omstandigheden acht het hof gevaar voor recidive aanwezig. Het hof is van oordeel dat artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering niet aan de orde is. Gelet op de gronden waarop de voorlopige hechtenis berust, acht het hof geen termen aanwezig om de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen. 13-701012-19 De beslissing Het hof: WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beschikking is gegeven op 13 februari 2019 in raadkamer van dit hof door mr. J.L. Bruinsma, voorzitter, mrs. W.M.C. Tilleman en P.F.E. Geerlings, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool als griffier. De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Amsterdam, 13 februari 2019, de advocaat-generaal
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.