Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-003559-18 Datum uitspraak: 11 april 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 september 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-142106-18 (zaak A) en 13-116582-18 (zaak B) (gevoegd), alsmede 13-684307-16 (TUL) en 13-701566-16 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak met parketnummer 13-142106-18 (zaak A): hij op een of meer tijstippen in of omstreeks de periode van 1 september tot en met 4 september 2015, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag, gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij/zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf; Zaak met parketnummer 13-116582-18 (zaak B): hij op of omstreeks 15 juni 2018 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door hem een of meerdere vuistslagen en/of klappen in het gezicht, in elk geval tegen het hoofd te geven; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, vanwege proceseconomische redenen. Bewijsmotivering zaak B Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de mishandeling van [benadeelde]. De zaak betreft een summier politiedossier en de aangever en getuige [getuige] verklaren niet eenduidig. De getuige verklaart niet over een poging diefstal die aan de mishandeling zou zijn voorafgegaan. Als gevolg hiervan is de verklaring van de aangever niet betrouwbaar. Tevens stelt de raadsman dat indien er, gelet op het feit dat de verdachte ook een klap heeft gegeven, wel sprake is van mishandeling de verdachte een beroep op noodweer toekomt. Het dossier bevat een aangifte en een getuigenverklaring van getuige [getuige]. Beiden zijn in hoger beroep nogmaals gehoord door de raadsheer-commissaris. In grote lijnen hebben de aangever en de getuige bij de raadsheer-commissaris overeenkomstig, en gelijkluidend aan hun respectievelijke verklaringen bij de politie, verklaard. Daarbij heeft met name [benadeelde] specifiek en met detail verklaard over omstandigheden voorafgaande aan, ten tijde van en na afloop van het tenlastegelegde. Het hof heeft geen aanleiding de betrouwbaarheid van de beide verklaringen, en in het bijzonder die van aangever [benadeelde] zelf, in twijfel te trekken. De verdachte heeft verklaard dat hij over straat liep en uit het niets een klap kreeg van [benadeelde] op het moment dat hij hem passeerde. Hij heeft [benadeelde] toen teruggeslagen. Alhoewel de verdachte over een andere aanleiding van het voorval verklaart, geeft hij wel aan [benadeelde] geslagen te hebben. De verdachte doet hiermee een beroep op noodweer. Verdachte heeft echter niet aannemelijk kunnen maken dat hij als eerste is geslagen en/of dat op een andere wijze sprake is geweest van een wederrechtelijke ogenblikkelijke aanranding dan wel dreiging daarvan waartegen hij zich ogenblikkelijk moest verdedigen. Het noodweerverweer wordt dan ook verworpen. Gelet op de aangifte en de getuigenverklaring acht het hof de mishandeling van [benadeelde] bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A:hij in de periode van 1 september tot en met 4 september 2015, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag voorhanden heeft gehad en de werkelijke aard heeft verborgen en heeft verborgen wie de rechthebbende was, terwijl hij redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.Zaak B:hij op 15 juni 2018 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door hem vuistslagen in het gezicht te geven. Hetgeen in zaak A en in de zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A bewezen verklaarde levert op: schuldwitwassen. Het in zaak B bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met de bijzondere voorwaarde om zich te houden aan de aanwijzingen van de Jeugdbescherming ook als dat zou inhouden een persoonlijkheidsonderzoek. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het de zaak A en in de zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie weken met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte begeleid gaat wonen, zich richt op het verkrijgen van een dagbesteding dan wel weer naar school gaat en dat de verdachte meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door zijn bankrekening beschikbaar te stellen voor geldbedragen die werden verdiend door mensen op te lichten. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich onvoldoende kritisch heeft opgesteld en zonder enige nader onderzoek heeft gehandeld door zijn bankrekening te laten gebruiken. Als gevolg hiervan is een aantal personen financieel ernstig benadeeld en is de omvang van de illegale economie toegenomen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. Hij heeft het slachtoffer klappen in het gezicht gegeven. Aldus heeft hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en hem pijn en letsel toegebracht. Het incident zal niet alleen het slachtoffer angst hebben ingeboezemd, maar ook bij omstanders gevoelens van ontzetting teweeg hebben gebracht. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 maart 2019 is hij eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 mei 2018 en hetgeen de zittingsvertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan het vinden van een woonplek in een begeleid wonen traject, dat hij meewerkt aan het vinden van een dagbesteding en/of weer naar school gaat en dat hij meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek. Nu de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, niet naar school gaat, geen dagbesteding heeft en geen inkomen heeft, zijn de zorgen omtrent de verdachte zeer hoog, zeker gelet op het feit dat de zorgen al enkele jaren bestaan en de Raad weinig verbetering ziet. De Raad acht het geadviseerde persoonlijkheidsonderzoek van belang om een nieuwe begeleiding beter af te stemmen op de persoon van de verdachte. De raadsman en de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het zwaartepunt van het hoger beroep ziet op de opgelegde bijzondere voorwaarde dat de verdachte moet meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek. De verdachte wil hier niet aan meewerken. De verdachte wordt momenteel begeleidt door casusregisseur [naam] van de Top
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.