GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.208.697/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/233508 / HA ZA 15-696 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 februari 2019 inzake [X] BEHEER B.V., gevestigd te [vestigingsplaats ] , appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. A. Hendriks te Rotterdam, tegen 1JONGERT PROPERTIES B.V., gevestigd te Wieringermeer, 2. VEKA GROUP B.V., gevestigd te Werkendam, geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten, advocaat: mr. E.J. Heijnen te Rotterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna respectievelijk [X] , Jongert en Veka genoemd. [X] is bij dagvaarding van 5 december 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 september 2016 onder bovenvermeld rol-/zaaknummer gewezen tussen [X] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en (onder meer) Jongert en Veka als gedaagden in conventie, Jongert tevens eiseres in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende akte wijzing (vermeerdering) van eis, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Jongert en Veka; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 februari 2018 doen bepleiten door hun bovenvermelde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zijde van Jongert en Veka zijn nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [X] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen ten aanzien van het bepaalde onder 5.3 en 5.4 van het dictum met bekrachtiging van het dictum voor het overige en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog Jongert en Veka hoofdelijk zal veroordelen om aan [X] te betalen het bedrag van € 1.438.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2015, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van Jongert en Veka in de kosten van het geding in beide instanties. Jongert en Veka hebben in principaal appel geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende [X] niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties. In incidenteel appel hebben zij geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende –uitvoerbaar bij voorraad – [X] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Jongert te betalen het bedrag van € 63.655,94, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 december 2015, met veroordeling van [X] in de proceskosten in beide instanties. [X] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing van de grieven van Jongert en Veka, met beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover met een of meer grieven wordt geklaagd over de juist- en volledigheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten, zal het hof deze klachten in aanmerking nemen bij onderstaande samenvatting van de feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. [X] heeft in het verleden aan Jongert B.V. opdracht gegeven tot de bouw van een motorjacht (hierna : de boot), genaamd “ [naam boot] ”. Met de bouw van het casco is een aanvang gemaakt en [X] heeft in dat verband (aanzienlijke) bedragen aan Jongert B.V. aanbetaald. 2.2. Na het faillissement van Jongert B.V. c.q. de Jongert Groep hebben er niet of nauwelijks meer werkzaamheden aan het casco plaatsgevonden. In augustus 2009 is Jongert opgericht, door welke vennootschap de activiteiten van de gefailleerde B.V. deels werden voortgezet. 2.3. Na 2009 is het (al dan niet uit onderdelen bestaande) casco steeds op het bedrijfsterrein van Jongert c.s. in Wieringerwerf blijven liggen. 2.4. Bij brief van 10 juni 2011 heeft [Y] (CEO van Jongert) namens Jongert – voor zover van belang – aan [X] het volgende geschreven: “Geachte heer [X] , beste [X] , De afgelopen maanden hebben wij diverse malen overleg gevoerd over de afwikkeling van uw bouwopdracht, beter bekend als BN 431. Tot op heden heeft u geen keuze gemaakt om of de bouwopdracht af te ronden danwel de in bewaring gegeven goederen op te halen. Op dit moment blijft voor ons onduidelijk op welke termijn door u een keuze wordt gemaakt. Zolang de bouwopdracht niet is gegeven is er sprake van een bewaarnemingsovereenkomst. Wij kunnen niet onbeperkt gehouden zijn de bewaarneming te continueren en hebben er belang bij te weten of de bewaarneming opgevolgd gaat worden door een bouwovereenkomst. Is daar geen zicht op, dan heeft het voor ons geen zin om het schip in bewaring te houden, in welk geval wij de bewaarnemingsovereenkomst opzeggen. Middels deze brief stellen wij u in kennis dat uiterlijk 1 juli a.s. u een keuze dient te maken en ons hiervan in kennis te stellen. De ruimte waarop uw spullen in bewaarding zijn genomen zal na de eerder gestelde deadline van 1 juli 2011 vrijgemaakt worden om de lopende bouwopdrachten uit te kunnen voeren. (…) In het kader van de in bewaring gegeven goederen bent u ons een vergoeding verschuldigd, zulks op grond van het bepaalde in artikel 7:601 BW. In de bijlage vindt u een factuur waarin het bewaarloon aan uw wordt doorbelast. (…) Mocht u niet besluiten tot het verstrekken van een bouwopdracht en in gebreke zijn met de betaling van uw bewaarloon en u uw motorjacht niet laat ophalen, dan kan de ultieme consequentie zijn dat de werf gerechtigd is het schip op grond van het bepaalde in artikel 6:90 BW te verkopen (…)” 2.5. Bij factuur van 10 juni 2011 heeft Jongert aan [X] een bedrag van € 84.476,71 (inclusief btw) in rekening gebracht onder de noemer “Bewaarvergoeding periode 09-07-09 t/m 30-06-11”, welke factuur onbetaald is gebleven. 2.6 Bij e-mail van 31 augustus 2011 heeft [Y] aan [X] als volgt bericht: “Beste [X] , Naar aanleiding van onze gesprekken van afgelopen dagen vroeg jij mij om de voorstellen op papier te zetten. Ik doe dit in telegramstijl, om alleen de kern van mijn voorstellen op papier te zetten, als we het over een optie eens worden, gaan we die verder uitwerken. OPTIES 1. Alle eigendommen en materialen worden door jou opgehaald en door jou ergens anders opgeslagen. 2. Alle materialen en eigendommen worden door ons opgeslagen en er wordt maandelijks de kosten hiervoor aan jou doorberekend. 3. Alles verkopen wat er is, wij denken dat dit nog ca. 80.000,-- kan opleveren. 4, Je geeft alle eigendommen en rechten aan ons. Wij gaan het casco vanaf heden tot een bepaald nivo verder afbouwen en gaan het schip op de markt verkopen. Het kan zelfs zijn dat we het schip dan “ombouwen’ tot een Lucia-M achtig schip omdat we menen dat vanuit de markt hier meer vraag naar is. De verrekening met jou kan dan op twee manieren plaatsvinden. a. Direct na ondertekening en verkoop van het Jacht aan een klant wordt 600.000,-- Euro naar jou overgemaakt. b. Na oplevering van het Jacht aan de klant wordt de definitieve balans opgemaakt tussen de werkelijke kostprijs (jouw inbreng staat hier dus op NUL) en de werkelijke opbrengsten. Het verschil (winst) wordt met jou 50/50 gedeeld. 4b lijkt mij verreweg de beste optie omdat naar mijn verwachting hier de meeste rendement voor jou in zit. Winst Verwachting is >2 miljoen (voor minder gaan wij niet). Op deze manier krijgen wij (Jongert) meer betrokkenheid bij het schip omdat we er dan zelf geld in gaan stoppen om het casco verder af te bouwen, de drive voor de verkoop wordt dan alleen maar groter. Naar de markt toe kunnen wij vertellen dat we met een mooi schip bezig zijn waarvan de engineering is gedaan en het casco bijna klaar is. De klant kan dan een prachtig schip kopen waar de levertijd kort van zal zijn. Graag wil ik op zeer korte termijn (dagen) weten welke optie jij kiest, deze optie kunnen we dan verder met jou (en eventueel met hr [A] ) uitwerken. (…)” 2.7 Bij e-mail van 14 september 2011 heeft [Y] aan [X] als volgt bericht: “Beste [X] , Vanmorgen spraken wij elkaar telefonisch over bnr 431 [naam boot] . Helemaal onder deze mail staan de opties nog een keer die ik heb voorgesteld (31 aug.) naar aanleiding van ons gesprek (25 aug.) waarin je vroeg de voorstellen nog eens op papier te zetten. De dag voor dat je met [B] [ [B] , hof] naar Italië vloog hebben wij elkaar telefonisch gesproken, waarin wij ook een principe akkoord hadden bereikt: We gaan door met de afbouw van het casco, waarbij jij er op stond ons een renteloze lening hiervoor te verstrekken. De afbouw gaat dan in principe tot het nivo kale casco tot en met het maindeck. Je had gekozen voor: 4, Je geeft alle eigendommen en rechten aan ons. Wij gaan het casco vanaf heden tot een bepaald nivo verder afbouwen en gaan het schip op de markt verkopen. Het kan zelfs zijn dat we het schip dan “ombouwen’ tot een Lucia-M achtig schip omdat we menen dat vanuit de markt hier meer vraag naar is. De verrekening met jou kan dan op twee manieren plaatsvinden. a. Direct na ondertekening en verkoop van het Jacht aan een klant wordt 600.000,-- Euro naar jou overgemaakt. Ook spraken wij af dat e.e.a. binnen 3 weken in een contract correct is geregeld (ivm eigendom, fiscus, afschrijving etc.) Op basis van dit akkoord ben ik begonnen om het casco af te bouwen en alle partijen en mogelijkheden in beeld aan het brengen wat voor het schip het uiteindelijk moet gaan worden. Vanmorgen bleek dat jij je niet bewust was geweest van de 600.000,-- Euro en stond je erop dat dit 750.000,-- zou worden/blijven, ook het principe dat wij pas betalen als wij een contract met een klant voor dit schip hebben getekend wilde jij niet meer: je wilde een garantie dat dit bedrag altijd na vijf jaar, of zoveel eerder als het schip wordt verkocht, wordt betaald. De lekhaven wilde ik in de totale deal betrekken, echter jij wil deze zaak echt apart behandelen/afhandelen. De emotie liep zelfs een beetje op dat je er misschien toch beter bij voelt als we het casco in de opslag gaan nemen, wat ik overigens echt niet meer begrijp. Het gaat echt te veel afwijken van e voorstellen die ik heb gedaan, echter ik wil een definitieve oplossing afspreken. Voor [naam boot] spraken wij af dat jij vanmiddag mij weer belt om tot definitieve afspraken te komen, je begrijpt dat het voor jou en ons beter is om nu tot een definitieve afspraak te komen, anders zou ik het graag horen, als je toch voor opslag kiest, of je voor optie 1 of 2 (onderaan deze mail) kiest. (…)” 2.8 Bij brief van 16 september 2013 heeft [Y] aan [X] – voor zover van belang – het volgende bericht: “Geachte heer [X] , beste [X] , Hierbij nog de beloofde, in ons telefoongesprek in juli 2013, opsomming van zaken. Ik heb jou gevraagd in dat gesprek om jouw casco “ [naam boot] ’ naar buiten te mogen verplaatsen in verband met de benodigde ruimte aldaar. Je vertelde dat het naar jouw zeggen ons casco zou zijn en dat ik deze vraag aan jou niet hoefde te stellen. Om verdere misverstanden te voorkomen hier een opsomming van nog lopende zaken die we tot een oplossing moeten brengen. 1. (…) 2. Openstaande factuur VF11-0001 d.d. 10 juni 2011 tgv bewaarvergoeding van uw casco de “ [naam boot] ” te weten € 84.476,71 Euro (zie bijlage 2) 3. De vermeende verkoop van het casco aan ons is nooit tot stand gekomen en definitief gemaakt. We hebben inderdaad in Monaco eind september 2011 gesproken over verkoop van jou casco aan Jongert Shipyard, onder voorbehoud van de over te dragen rechten en verplichtingen jegens dit casco. Tegelijkertijd hebben wij op eigen kosten en risico, zoals met u was besproken, een aantal nodige reparaties/correcties aan het casco uitgevoerd, om daarna verder te kunnen gaan met de afbouw. Zover kwam het echter niet. Doordat een aantal belangrijke rechten en verplichtingen aangaande het casco niet kon worden overgedragen (…) is het traject eind november gestopt ook de werkzaamheden zijn toen gestopt. Concept contracten die voor de verdere invulling en vastlegging van de overeenkomst (eigendomsoverdracht van casco inclusief rechten en verplichtingen plus bij behorende invulling prijscondities) zijn ook gestopt. Voordat wij weer een nieuw factuur zullen sturen over de bewaarvergoeding van jou casco is het misschien beter eerst samen te overleggen hoe nu bovenstaande punten met elkaar op te lossen. Ik hoor graag van je. Indien er geen tegenbericht komt ben ik wel genoodzaakt maatregelen te nemen, een daarvan is in ieder geval dat jouw casco naar buiten wordt verplaatst. (...)” 2.9 Op 28 augustus 2015 heeft [C] aan Friesland Schroot een e-mail gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud: “Hallo [D] , Zoals telefonische afgesproken om het casco wat bij Jongert ligt te slopen, transport en afvoer voor [zwartgemaakt] per kilo. (…)” De opbrengst daarvan (schrootprijs) bedroeg € 39.000,-. 2.10 Bij faxbrief van 3 september 2015 heeft mr. Hendriks, namens [X] , - voor zover van belang - het volgende aan [Z] Metaalrecycling BV: “(…) Zoals vanochtend (…) met uw echtgenote besproken, heeft mijn cliënte vernomen (en heeft uw echtgenote mij bevestigd) dat uw bedrijf in opdracht van jachtwerf Jongert te Wieringenwerf (de heer [C] ) gisteren en vandaag een zich aldaar bevindende scheepscasco heeft gesloopt en verwijderd. (…)” 3Beoordeling 3.1. In eerste aanleg heeft [X] – kort gezegd - een aantal verklaringen voor recht gevorderd alsmede hoofdelijke veroordeling tot betaling van een bedrag van € 1.159.728,50, vermeerderd met rente en kosten. In reconventie heeft Jongert – kort gezegd – veroordeling van [X] gevorderd tot betaling van € 63.655,94 vermeerderd met rente en kosten. 3.2. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep nog van belang – in conventie geoordeeld dat Jongert en Veka onrechtmatig hebben gehandeld door het casco van de boot af te voeren en te laten slopen. De gevraagde verklaringen voor recht zijn toegewezen en Jongert en Vega zijn veroordeeld tot betaling van € 39.000,- aan [X] , vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 september 2015. De gevorderde hoofdelijkheid is afgewezen. Jongert en Veka zijn in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat geen overeenkomst van bewaarneming tot stand is gekomen en heeft zij de vordering van Jongert afgewezen. Jongert is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] in principaal appel met zeven grieven op. Jongert en Veka komen in incidenteel appel met zes grieven op tegen deze beslissing. 3.3 De principale grieven zijn gericht tegen het door de rechtbank vastgestelde schadebedrag van € 39.000,-. [X] vermeerdert bovendien in hoger beroep haar eis en vordert thans betaling van € 1.438.000,-. Voorts grieft zij tegen de beslissing over de hoofdelijkheid. De incidentele grieven strekken tot de conclusie dat Jongert en Veka niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [X] en daarom niet schadeplichtig zijn. Tevens wordt betoogd dat de vordering van Jongert tot betaling van bewaarloon moet worden toegewezen. De grieven in principaal en incidenteel appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bewaarneming 3.4 Partijen houdt allereerst verdeeld de vraag of tussen hen een overeenkomst van bewaarneming tot stand gekomen is. [X] betwist dat zij ooit heeft ingestemd met een overeenkomst van bewaarneming. Jongert stelt echter dat door gedragingen van [X] bij Jongert het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat een overeenkomst van bewaarneming tot stand is gekomen. Zij verwijst daartoe naar de gang van zaken sinds het faillissement van Jongert Groep en de correspondentie in 2011, hierboven geciteerd onder 2.4 tot en met 2.8 en voorts de omstandigheid dat [X] nimmer is overgegaan tot het geven van een opdracht tot afbouw en het casco evenmin ooit is komen weghalen. 3.5 Ten aanzien van de gang van zaken vanaf 2009 overweegt het hof als volgt. Na het faillissement van Jongert Groep is het onafgebouwde casco van [naam boot] op het terrein, dat eigendom is geworden van Jongert, blijven liggen. Tussen partijen is veelvuldig gesproken over een opdracht van [X] aan Jongert tot afbouw van het casco. Die opdracht is echter nooit verstrekt. In 2011 is de correspondentie gevoerd zoals hierboven geciteerd onder 2.4 tot en met 2.8. Uit deze correspondentie blijkt in de eerste plaats dat Jongert zich op het standpunt stelde dat [X] steeds eigenaar van het casco is geweest. Verder volgt uit deze correspondentie dat Jongert aandrong op een beslissing over de toekomst van het casco. Voorts blijkt dat Jongert onder omstandigheden bereid was het casco af te bouwen en daarover afspraken te maken met [X] , en dat tot die tijd in haar visie sprake was van bewaarneming, waarvoor een vergoeding verschuldigd was. Tevens blijkt daaruit dat Jongert niet bereid was het casco onbeperkt op haar terrein te laten liggen en dat bij uitblijven van een bouwopdracht het casco door [X] opgehaald diende te worden. [X] heeft niet betwist dat hij eigenaar van het casco was op het moment dat de onderneming door Jongert in 2009 werd voortgezet. Hij heeft niet aangevoerd op welke andere titel dan bewaarneming het casco op dat moment door Jongert werd gehouden. Wel heeft hij ten verwere betoogd dat het casco op enig moment door verkoop eigendom van Jongert is geworden. Deze stelling heeft hij evenwel niet concreet onderbouwd. Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep stelt hij dat partijen na 10 juni 2011 zijn overeengekomen dat het casco door Jongert is gekocht (zie ook conclusie van repliek sub 4). Deze stelling wordt evenwel op grond van het volgende verworpen. Vooreerst is zij onverenigbaar met de hierboven geciteerde correspondentie (in het bijzonder de onder 2.7 genoemde e-mail). In de tweede plaats heeft [X] ook overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de totstandkoming van de door haar bedoelde koopovereenkomst blijkt, terwijl evenmin duidelijk is wat de exacte inhoud daarvan zou zijn. Ten derde strookt de stelling dat de boot na 10 juni 2011 is verkocht niet met hetgeen [X] ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard. Daar stelt [X] dat hij in een gesprek naar aanleiding van de factuur voor de bewaarvergoeding (van 10 juni 2011) heeft gezegd dat de boot (kennelijk reeds voordien) aan Jongert B.V. verkocht was. 3.6 Nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.