GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 18/00166 29 januari 2019 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [naam] , te [woonplaats] , belanghebbende, gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer, tegen de uitspraak van 30 maart 2018 in de zaak met kenmerk AMS 17/5163 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, gedagtekend 8 april 2017. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 31 augustus 2017, het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Bij uitspraak van 30 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 april 2018. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft op 20 juni 2018 een conclusie van repliek ingediend. De heffingsambtenaar heeft op 2 augustus 2018 een conclusie van dupliek ingediend. 1.6. Op 11 augustus 2018 en op 15 december 2018 zijn bij het Hof nadere stukken van belanghebbende ingekomen. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen hoewel een per aangetekende post verzonden oproeping op 3 december 2018 is verzonden aan het door de gemachtigde in het (hoger) beroepschrift genoemde adres en als aanvulling daarop op 15 januari 2019 een afschrift van de oproeping per gewone post is verzonden aan dit adres. Namens de heffingsambtenaar is, met bericht, niemand verschenen. 2Feiten In de uitspraak van de rechtbank zijn de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende is in deze uitspraak aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’. “1. Verweerder heeft de naheffingsaanslag aan eiser opgelegd, omdat tijdens een controle op [datum] 2017 om [tijdstip] is geconstateerd dat de auto van eiser met kenteken [kenteken] ter hoogte van [straatnaam] [nummer] stilstond terwijl er geen geldig parkeerbewijs voor de auto was geregistreerd. 2. Eiser heeft met de brief van 15 april 2017 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Verweerder heeft eiser met de herstelverzuimbrief van 14 juni 2017 een termijn van veertien dagen gegeven om de gronden van zijn bezwaar aan te leveren.” Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. 3Geschil in hoger beroep Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen: “3. Met de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat zijn bezwaarschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft namelijk niet binnen de gestelde termijn van veertien dagen de gronden van het bezwaar ingediend. 4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij geen rechtsgeldige herstelverzuimbrief heeft ontvangen van verweerder. Verweerder heeft hem in die brief namelijk niet gewezen op de mogelijke gevolgen die aan het niet-tijdig herstellen van het verzuim verbonden kunnen worden. 5. Verweerder heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat eiser een professionele gemachtigde heeft, die ervan op de hoogte hoort te zijn dat een bezwaar niet‑ontvankelijk wordt verklaard wanneer er geen of niet tijdig gronden van bezwaar worden ingediend. 6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb een bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of een ander wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het is vaste rechtspraak dat een zorgvuldige bezwaarprocedure met zich brengt dat wanneer een bestuursorgaan een fatale termijn stelt om een verzuim te herstellen, ook waarschuwt voor het mogelijke gevolg van overschrijding van die termijn. Als het bestuursorgaan niet heeft gewaarschuwd voor dat mogelijke gevolg, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet niet-ontvankelijk verklaren vanwege het gestelde verzuim.¹ [1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 13 oktober 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK1113.] 7. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bezwaarschrift van 15 april 2017 geen gronden bevat. Ook is niet in geschil dat verweerder eiser met de brief van 14 juni 2017 in de gelegenheid heeft gesteld dit verzuim binnen veertien dagen te herstellen en dat eiser van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. 8. Verweerder heeft in de herstelverzuimbrief van 14 juni 2017 niet gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat het bezwaar niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn de bezwaargronden zouden zijn aangeleverd. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser dat hij geen rechtsgeldige verzuimbrief van verweerder heeft ontvangen, aldus dat niet-ontvankelijkverklaring niet mogelijk was omdat de heffingsambtenaar heeft nagelaten een waarschuwing te geven dat indien de motivering niet binnen de gestelde termijn volgt, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 9. De rechtbank verwerpt deze stelling op gelijke gronden als de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft gedaan in de uitspraak van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RBZWB:2018:1123) in een zaak waar eisers gemachtigde ook de gemachtigde was van de eiser in die zaak. Het gaat om de volgende overwegingen in die uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant: “2.6.1. Vooropgesteld moet worden dat in artikel 6:6 van de Awb niet de eis wordt gesteld dat bij het geven van gelegenheid tot herstel van het verzuim gewezen wordt op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring indien dat herstel niet (tijdig) gebeurt. 2.6.2. Dat neemt niet weg dat als uitgangspunt wel geldt dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat een dergelijke waarschuwing moet worden opgenomen in een brief waarin een belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen (zie bijv. ABRvS 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1399 en CRvB 27 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1759, alsmede in belastingzaken bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 6 augustus 2011, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO7038). Indien dat niet is gebeurd, kan in de regel het desbetreffende rechtsmiddel niet niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 6:6 van de Awb. 2.6.3. Het ligt niet voor de hand dat de in 2.6.2 vermelde regel absoluut is, te meer niet nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.