beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummers : 200.242.357/01 en 200.242.357/02 beschikking van de Ondernemingskamer van 19 februari 2019 inzake [A] , wonende te [....] , VERZOEKER, advocaat: mr. D.W. Giltay Veth, kantoorhoudende te Nieuw-Vennep, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] , 3. de stichting [D] , alle gevestigd te [....] , VERWEERSTERS, advocaat: mr. J.J. van Deventer, kantoorhoudende te Haarlem, e n t e g e n 1 [E] , wonende te [....] , 2. [F], wonende te [....] , BELANGHEBBENDEN, advocaat: mr. J.J. van Deventer, kantoorhoudende te Haarlem, e n t e g e n 3 [G] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE, advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn, kantoorhoudende te Amsterdam, en inzake [G] , wonende te [....] , VERZOEKSTER, advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn, kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] , beide gevestigd te [....] , VERWEERSTERS, advocaat: mr. J.J. van Deventer, kantoorhoudende te Haarlem, e n t e g e n 1. de stichting [D] , gevestigd te [....] , 2. [E], wonende te [....] , 3. [F], wonende te [....] , BELANGHEBBENDEN, advocaat: mr. J.J. van Deventer, kantoorhoudende te Haarlem, e n t e g e n [A] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE, advocaat: mr. D.W. Giltay Veth, kantoorhoudende te Nieuw-Vennep. 1Het verloop van het geding 1.1 In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid: verzoekers met [A] respectievelijk [G] ; verweersters ieder afzonderlijk met [B] , [C] en [D] en [B] en [C] gezamenlijk met [H c.s.] en belanghebbenden met [E] en [F] . 1.2 [A] heeft bij op 11 juli 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid van en de gang van zaken bij [H c.s.] over de periode vanaf januari 2012. Daarbij heeft hij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [E] en [F] te schorsen als bestuurders van [B] en [D] , [I] te schorsen als bestuurder van [D] , en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [B] en [D] , alsmede om [B] , [C] en [D] te veroordelen in de kosten van het geding. 1.3 [G] heeft bij op 9 augustus 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [B] en [C] over de periode vanaf augustus 2015. Daarbij heeft zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [E] en [F] te schorsen als bestuurders van [B] , en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [B] , alsmede om [B] en [C] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding. 1.4 [A] heeft bij op 14 augustus 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen brief zijn verzoek nog op ondergeschikte punten aangevuld. 1.5 [B] , [C] en [D] hebben bij op 16 augustus 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer primair verzocht [A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, en subsidiair te bepalen dat het onderzoek mede betrekking heeft op de handelwijze van [A] , een en ander met veroordeling van [A] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad. Bij op 23 augustus 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties hebben [B] en [C] de Ondernemingskamer primair verzocht [G] niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, en subsidiair te bepalen dat het onderzoek mede betrekking heeft op de handelwijze van [A] , een en ander met veroordeling van [G] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad. 1.6 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 september 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en wat mrs. Giltay Veth en Hoogendoorn betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Beide verzoekers hebben hun verzoek ter zitting aangevuld: [A] verzoekt, kort gezegd, thans subsidiair bij wijze van onmiddellijke voorziening tijdelijk een derde persoon te benoemen tot commissaris van [B] en [D] en meer subsidiair een andere onmiddellijke voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht; [G] wenst, kort gezegd, dat ook naar het dividendbeleid een onderzoek wordt gelast, en wel over de periode vanaf 2009 en ook zij verzoekt subsidiair een andere onmiddellijke voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. 2De feiten De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten: 2.1 [C] is opgericht in 1988 en drijft een onderneming die zich bezighoudt met de sloop van auto’s en schepen en de handel in sloopmaterialen. [B] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [C] . [C] heeft circa twintig werknemers. 2.2 [B] is op 14 december 1993 opgericht. [D] houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van [B] . [E] en [F] vormen samen het bestuur van [B] en zijn als bestuurders ieder zelfstandig bevoegd [B] te vertegenwoordigen. Samen met [I] (hierna: [I] ), financieel adviseur van de onderneming, vormen zij tevens het (gezamenlijk bevoegde) bestuur van [D] . 2.3 [E] en [F] zijn broers van [A] en zwagers van [G] ; [G] is de weduwe en erfgename van [J] (hierna: [J] ), die op 30 november 2008 is overleden. [E] , [F] , [A] en [G] houden elk een vierde deel van de door [D] uitgegeven certificaten van aandelen in [B] . 2.4 De vader van de broers [M] was tot de oprichting van [D] , eind 1996, enig aandeelhouder van [B] en van [C] ; vanaf 1959 dreef hij de onderneming, aanvankelijk als eenmanszaak en later in een vennootschap onder firma. [J] was tot zijn overlijden medebestuurder van [B] en van [D] . [A] was tot zijn hierna te melden ontslag op 10 januari 2018 medebestuurder van [B] en van [D] . 2.5 Sinds het overlijden van [J] heeft [B] een bedrag gelijk aan het salaris dat hij tot zijn dood ontving maandelijks aan [G] overgemaakt. Bij schrijven van 18 mei 2010 heeft [I] aan [C] bericht dat die maandelijkse uitkering niet als salaris kan worden geboekt omdat er geen arbeidsprestatie tegenover staat en dat hij daarom die bedragen als “voorschot” in rekening-courant met [G] boekt. “De vanaf 2008 tot en met heden uitbetaalde voorschotten belopen inmiddels een aanzienlijk bedrag en dat bedrag kan (…) worden afgelost door een winstuitkering uit dividendreserve”, aldus [I] . 2.6 Bij brief van 2 mei 2011 heeft notaris mr. Besse-Bultsma, belast met de afwikkeling van de nalatenschap van [J] , namens [G] aan [B] gevraagd op welke grond [G] maandelijks een bedrag van ongeveer € 3.800 van [B] ontvangt. Voorts heeft zij erop gewezen dat [G] conform de administratievoorwaarden van [D] uitgenodigd dient te worden voor de vergaderingen van certificaathouders. 2.7 Op 15 maart 2013 heeft [B] aan [D] een bedrag van € 400.000 aan dividend ter beschikking gesteld. Daarvan is aan [G] geen uitkering gedaan; het haar toekomende bedrag is in rekening-courant geboekt. In 2014 was de onderneming verlieslatend; de winsten die in de overige jaren van 2009 tot en met 2015 zijn gemaakt – in totaal een bedrag van ruim € 2,9 miljoen – zijn telkens aan de algemene reserves van [B] toegevoegd. 2.8 Namens [G] is bij brief van 29 augustus 2014 verzocht om inzichtelijk te maken wat de winstbestemming over de jaren 2009 tot en met 2014 is geweest. [B] heeft haar de betreffende jaarstukken toegezonden en te kennen gegeven dat de maandelijkse uitkering aan [G] voorschotten op dividenduitkeringen betroffen en dat het in maart 2013 uitgekeerde dividend daarmee was verrekend. 2.9 Op 17 april 2015 is een vergadering van certificaathouders gehouden, waarin de advocaat van [G] een voorstel tot formalisering van de maandelijkse betaling aan haar heeft besproken. In de certificaathoudersvergadering van 17 juni 2015 is die discussie voortgezet. Op 23 augustus 2016 was de volgende vergadering van certificaathouders. Ook in de daaropvolgende vergadering van certificaathouders van 17 mei 2017 zijn de uitkeringen aan [G] aan de orde geweest: “Zaken die moeten worden meegenomen bij het sluiten van een overeenkomst tussen certificaathouders; (…) Het glad strijken van de uitkeringen (voorschotten) Mw. (…) [G] ”. In die vergadering is verder onder meer gesproken over het starten van mediation om de certificaathouders/bestuurders weer op één lijn te krijgen ten behoeve van een goede bedrijfsvoering. 2.10 [A] heeft zich na een incident op het bedrijfsterrein met zijn neef [K] , zoon van [F] , in februari 2017 ziekgemeld als werknemer van [C] . In juni 2017 heeft de arbodienst een poging gedaan om te bemiddelen tussen de drie broers, in welk gesprek zij werkafspraken hebben gemaakt. 2.11 Bij brief van 6 november 2017 heeft het UWV [C] te kennen gegeven dat haar inspanningen tot re-integratie van [A] als onvoldoende worden beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft in de bijgevoegde rapportage onder meer geschreven: “Werkgever kan niet stoppen met re-integratie inspanningen (…) omdat werknemer daaraan niet zou meewerken en toch het loon blijven doorbetalen.”. 2.12 Bij brief van 29 november 2017 heeft de arbodienst van [C] aan [A] laten weten dat hem per 27 november 2017 een loonstop is opgelegd, omdat hij zijn re-integratieverplichtingen niet nakwam. 2.13 Op 10 januari 2018 is [A] door de algemene vergadering van aandeelhouders van [B] ontslagen als bestuurder. Volgens artikel 10.I.2 van de statuten van [D] kwam daarmee ook een einde aan zijn bestuurslidmaatschap van [D] . 2.14 Bij dagvaarding in kort geding van 29 januari 2018 heeft [A] gevorderd [C] te veroordelen tot loondoorbetaling. Daags voor de behandeling van het kort geding heeft [C] de loonstop opgeheven. 2.15 [B] heeft [G] op 2 februari 2018 laten weten dat de maandelijkse betaling aan haar met onmiddellijke ingang stop was gezet. Op 13 maart 2018 heeft [G] [D] en [B] gedagvaard ter incasso van een bedrag van € 100.000 ten titel van dividenduitkering betreffende het op 15 maart 2013 ter beschikking gestelde bedrag (zie 2.7). In reconventie heeft [B] een bedrag van ruim € 400.000 van [G] gevorderd op grond van haar schuld in rekening-courant met [B] . Ook aanhangig bij de rechtbank Noord-Holland is een vordering van [B] ter incasso van de rekening-courantschuld die op naam van [A] staat geboekt. 2.16 In de algemene vergadering van [B] van 6 juni 2018 is de jaarrekening van 2016 vastgesteld in aanwezigheid van [A] en [G] , nadat die eerder al gedeponeerd was. Namens het bestuur is verklaard dat het de bedoeling van [B] is om in het vervolg de formaliteiten in acht te nemen. Op 3 september 2018 is de jaarrekening 2017 van [C] in de algemene vergadering vastgesteld; een dag later is de jaarrekening 2017 van [B] vastgesteld in haar algemene vergadering, in het bijzijn van alle certificaathouders. Notulen van die laatste vergadering zijn een dag later verspreid onder de certificaathouders. 3De gronden van de beslissing 3.1 [A] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [H c.s.] en dat gelet op de toestand van de vennootschappen en de stichting onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft hij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht: Na het overlijden van [J] hebben [E] en [F] [A] buiten ieder bestuursbesluit gehouden. Na de ziekmelding van [A] hebben [E] en [F] in strijd met artikel 2:8 BW doelbewust aangestuurd op escalatie van het conflict om [A] uit de onderneming te verwijderen. Zij hebben [A] onvoldoende geïnformeerd over de financiële gang van zaken en hebben hem in november 2017 – toen hij nog bestuurder was – de toegang tot de bankrekeningen van [B] en [C] ontzegd. Vervolgens is de loonbetaling onrechtmatig gestopt; Het bestuur van [D] heeft, in strijd met zijn statutaire verplichting, geen redelijk dividendbeleid gevoerd. Ook andere statutaire verplichtingen zijn door [D] geschonden; Ook [B] heeft geen redelijk dividendbeleid gevoerd, terwijl de onderneming in de meeste jaren vanaf 2009 wel winst maakte; [B] heeft in de periode van 2012 tot en met 2017 nooit een algemene vergadering van aandeelhouders gehouden en heeft de niet vastgestelde jaarrekeningen over de jaren van 2012 tot en met 2016 gedeponeerd als vastgestelde jaarrekeningen; [C] heeft evenmin een redelijk dividendbeleid gevoerd en algemene vergaderingen gehouden. Ook haar jaarrekeningen zijn in strijd met de werkelijkheid gedeponeerd als vastgesteld; [B] heeft [A] in januari 2018 ineens een zeer aanzienlijke schuld in rekening-courant voor de voeten geworpen; [B] heeft aan [G] zonder titel jarenlang betalingen gedaan en [C] heeft de echtgenotes van [E] en [F] jarenlang op de loonlijst staan, zonder dat zij arbeid in de onderneming verrichten. 3.2 [G] heeft aan haar stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken bij [B] en [C] en dat gelet op de toestand van de vennootschappen onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd: [B] houdt op geen enkele wijze rekening met de belangen van de minderheidscertificaathouders [G] en [A] en handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door na ruim tien jaar maandelijks [G] een uitkering te hebben gedaan, van haar die nu terug te vorderen; [B] heeft geen (redelijk) dividendbeleid gevoerd. Ondanks het feit dat [B] jarenlang aanzienlijke winsten heeft gemaakt, is slechts één keer dividend ter beschikking van [D] gesteld; [B] heeft onaanvaardbaar hoge rekening-courantvorderingen op [A] , [G] en [E] en [F] laten ontstaan. [B] en [C] riskeren hierdoor fiscale naheffingsaanslagen; Het bestuur van [B] en het bestuur van [C] veronachtzamen wettelijke en statutaire verplichtingen. Zo heeft [B] jarenlang geen algemene vergaderingen gehouden en zijn de certificaathouders tot medio 2018 nooit opgeroepen voor vergaderingen en zijn jaarrekeningen tot en met 2015 niet vastgesteld door de algemene vergadering; Het bestuur van [B] is onvoldoende in staat om de interne en externe problemen het hoofd te bieden: de geschillen met de minderheidscertificaathouders escaleren in juridische procedures en ook met de autoriteiten ligt het bestuur overhoop over de nakoming van milieuverplichtingen; De echtgenotes van [E] en [F] ontvangen salaris van [C] zonder werkzaamheden te verrichten. 3.3 [B] , [C] en [D] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan. 3.4 Het verzoek van [A] om een onderzoek te bevelen naar het beleid van en de gang van zaken bij [D] is niet toewijsbaar, aangezien [D] geen stichting is als bedoeld in artikel 2:344, aanhef en onder b, BW; ook de binnen [D] gevraagde onmiddellijke voorzieningen zijn om diezelfde reden niet toewijsbaar. De Ondernemingskamer zal [A] in zoverre niet ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. 3.5 Met betrekking tot grond 3.1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.