GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.035.900/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 777366 DX EXPL 06-961 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 maart 2019 inzake DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen: [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd. Dexia is bij dagvaarding van 22 december 2008 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 april (hierna: het tussenvonnis) en 8 oktober 2008 (hierna: het eindvonnis), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen haar als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie en verweerder in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel; - memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte wijziging van eis, met een productie (hierna: memorie van antwoord in incidenteel appel). Partijen hebben geen grieven gericht tegen het tussenvonnis (waarbij slechts een comparitie van partijen is gelast), zodat het hoger beroep zich beperkt tot het eindvonnis. Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 verschillende Dexia-zaken, waaronder deze zaak, waarin de problematiek van de onaanvaardbaar zware last aan de orde is. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden. Na de comparitie heeft het hof bepaald dat in de Dexia-zaken waarin geen tussenpersoon (cliëntenremisier of anderszins) betrokken was, waaronder de onderhavige zaak, zal worden voortgeprocedeerd in de stand waarin deze zaken zich bevonden voordat deze werden aangehouden. Ten slotte is arrest gevraagd. Dexia heeft in principaal appel geconcludeerd zoals op de laatste bladzijde van de memorie van grieven omschreven. [geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van de vorderingen van Dexia en in het incidenteel hoger beroep, voor zover van belang, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren dat de onderhavige overeenkomsten, behoudens de oorspronkelijke overeenkomst met nummer [nummer 1] , rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia zal veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen al hetgeen onder deze overeenkomsten aan Dexia is betaald, met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2005, dan wel, voor zover deze vernietiging niet wordt uitgesproken, voor recht zal verklaren dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en/of is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht en dat Dexia om die reden gehouden is tot vergoeding van twee derde deel van de restschulden, met beslissing over de proceskosten, met nakosten. Dexia heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel - na vermindering van haar eis in principaal appel - geconcludeerd overeenkomstig de conclusie van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep, met dien verstande dat de terugbetaling aan [geïntimeerde] moet worden verminderd met hetgeen Dexia aan [geïntimeerde] heeft uitgekeerd en ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst met nummer [nummer 1] [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan Dexia van een bedrag van € 467,04, althans een zodanig bedrag als uit het Hofmodel voortvloeit, met beslissing over de proceskosten. In het incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd tot verwerping van de grieven van [geïntimeerde] , met beslissing over de proceskosten. 2Feiten De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.7 de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 3Beoordeling 3.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt. 3.2 [geïntimeerde] is op respectievelijk 7 juli 1999, 3 juli 2000, 13 november 2000 en 20 januari 2001 leaseovereenkomsten met contractnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] (hierna: overeenkomst 1, 2, 3 en 4) met (een rechtsvoor- gangster van) Dexia aangegaan. De onderhavige procedure ziet op deze vier overeenkomsten alsmede op de verleningsovereenkomst van overeenkomst 1 van 9 juli 2002 (hierna: overeenkomst 1A) en die van overeenkomst 2 van 1 juli 2003 (hierna: overeenkomst 2A). Ten aanzien van genoemde overeenkomsten heeft de echtgenote van [geïntimeerde] , [X] (hierna: [X] ), bij brief van 15 februari 2005 de nietigheid ingeroepen, althans de vernietiging in rechte aangekondigd. 3.3 De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [X] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door [geïntimeerde] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven. 3.4 [geïntimeerde] heeft Dexia in eerste aanleg gedagvaard en - voor zover in hoger beroep nog van belang - gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de overeenkomsten zijn of worden vernietigd en dat [geïntimeerde] recht heeft op terugbetaling van al hetgeen hij in het kader van de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, met wettelijke rente. Dexia heeft zich tegen deze vordering verweerd met (onder meer) een beroep op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van artikel 1:89 BW. 3.5 Bij het eindvonnis heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld dat het vernietigingsrecht van [X] ten aanzien van overeenkomsten 1 en 4 is verjaard, zodat de daarop gebaseerde vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden afgewezen. Overeenkomsten 1A, 2 - waaronder begrepen overeenkomst 2A - en 3 heeft [X] volgens de kantonrechter wél rechtsgeldig vernietigd. Ter zake van laatstgenoemde overeenkomsten heeft de kantonrechter Dexia - in conventie - veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 1.034,14 (1A), € 6.224,78 (2 en 2A gezamenlijk) en € 3.607,71
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.