GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.226.187/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/598066/ HA ZA 15-1075 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 maart 2019 inzake: NOORD-AMSTERDAMSE MACHINEFABRIEK HOLDING B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. K.J. de Rooij te Amsterdam, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. F.P.A.M. Uytdewillegen te ’s-Hertogenbosch. 1Het geding in hoger beroep 1.1 Partijen worden in het hiernavolgende NAM en [geïntimeerde] genoemd. 1.2 Bij dagvaarding van 17 oktober 2017 is NAM in hoger beroep gekomen van de op 27 juli 2016 en 9 augustus 2017 door de rechtbank Amsterdam uitgesproken vonnissen (hierna respectievelijk: het tussenvonnis en het eindvonnis), onder het hierboven vermelde zaaknummer gewezen tussen haar als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie verweerder in reconventie. De dagvaarding bevat de grieven. 1.3 NAM heeft zes grieven tegen de vonnissen aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd de bestreden vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, in conventie primair de vorderingen van [geïntimeerde] volledig af te wijzen en subsidiair te matigen tot nihil, althans tot een door het hof te bepalen bedrag. NAM vordert in reconventie primair voor recht te verklaren dat de Overeenkomst van Geldlening tussen NAM en [geïntimeerde] rechtsgeldig is overeengekomen, dat NAM volledig aan de op haar rustende rente- en aflossingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomst voldoet en heeft voldaan en dat NAM de uit hoofde van de Aangepaste Schuldbekentenis aan [geïntimeerde] verschuldigde rente volledig heeft voldaan. Subsidiair vordert NAM in reconventie voor recht te verklaren dat NAM in navolging van de overeenstemming die zij met [A] en [B] heeft bereikt over de volledige aflossing van het restant van de lening gehouden is om eenmalig € 11.637,50 aan [geïntimeerde] te voldoen en dat [geïntimeerde] na ontvangst van dit bedrag niets meer van NAM te vorderen heeft uit hoofde van de Aangepaste Schuldbekentenis en de Overeenkomst van Geldlening. NAM vordert ten slotte in conventie en in reconventie [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de bestreden vonnissen heeft betaald te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der voldoening en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente en voorts met nakosten. 1.4 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven van NAM bestreden, zijn eis vermeerderd en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de grieven van NAM ongegrond zal verklaren, (het hof neemt aan) de vonnissen van de rechtbank zal bekrachtigen en NAM zal veroordelen om primair € 3.177,25 en subsidiair € 1.735,23 te betalen ter zake van rente, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 en NAM voorts te veroordelen in (het hof begrijpt) de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. 1.5 Op 28 september 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben het woord gevoerd, mr. De Rooij aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. NAM had ter voorbereiding op de comparitie nog een aantal bankrekening-afschriften in het geding gebracht (productie N30). 1.6 Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder “ De feiten” (2.1 tot en met 2.9) de feiten vastgesteld die zij bij haar beslissing tot uitgangspunt heeft genomen. Omtrent deze feiten bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. 3Beoordeling 3.1.1 Het gaat in deze zaak – kort weergegeven – om het volgende. 3.1.2 Tussen NAM enerzijds en [X] als vruchtgebruikster en haar vijf kinderen (onder wie [geïntimeerde] ) als blooteigenaren van de nalatenschap van [D] anderzijds is op 5 maart 1990 een - bij ABN AMRO achtergestelde - geldleningsovereenkomst tot stand gekomen voor een bedrag van ƒ 250.000,-- tegen een rente van tien procent per jaar, waarop vóór 1999 eenmalig ƒ 25.000,-- is afgelost. De rentevergoeding is met ingang van 1999 in overleg tussen partijen verlaagd tot zes procent per jaar (Deze geldleningsovereenkomst, zoals die sinds 1999 tussen partijen gold zal, in navolging van NAM, hierna worden aangeduid als de Aangepaste Schuldbekentenis). De achterstelling van de lening is op 31 december 2012 komen te vervallen. 3.1.3 Na het overlijden van [X] in 1997 is een vijfde deel van de vorderingsrechten uit de geldleningsovereenkomst overgegaan op [geïntimeerde] als een van haar erfgenamen. Zijn drie zussen en een broer zijn ieder eveneens gerechtigd tot een vijfde deel van die rechten. 3.1.4 Bij brief van 3 juni 2014 heeft [geïntimeerde] de geldlening voor wat betreft zijn aandeel daarin (pro resto € 20.420.—in hoofdsom) opgezegd en NAM gesommeerd tot betaling van voormeld bedrag en van € 12.524,57 ter zake van achterstallige rente. 3.2 [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg veroordeling van NAM tot betaling van € 5.786,18 ter zake van achterstallige rente, van € 20.420,-- aan hoofdsom en van € 1.137,--- aan buitengerechtelijke incassokosten. 3.3 NAM heeft ten verwere aangevoerd dat de onder 3.1.2 bedoelde geldleningsovereenkomst, de Aangepaste Schuldbekentenis, door middel van een brief van haar aan [geïntimeerde] en de andere schuldeisers van 18 juli 2006 is omgezet in een geldlening (hierna Overeenkomst van Geldlening), waarop twee procent rente zou worden betaald en waarop zou worden afgelost, hetgeen er volgens de brief op neer zou komen dat vanaf 1 januari 2006 jaarlijks € 1.225,-- aan rente en aflossing zou worden betaald totdat de lening met een betaling van € 590,32 in 2026 geheel zou zijn afgelost. De desbetreffende verplichtingen zijn door NAM nagekomen. Volgens NAM bestond er in 2006 aanleiding de leningsvoorwaarden aan te passen. De financiële situatie van NAM was destijds aanleiding de oorspronkelijke overeenkomst aan te passen. NAM werd in haar voortbestaan bedreigd. NAM concludeerde in conventie tot afwijzing van de vordering en vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat de Overeenkomst van Geldlening in 2006 rechtsgeldig is overeengekomen en van toepassing is. 3.4 In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat, nu NAM zich beriep op een wijziging van de overeenkomst tussen partijen vastgelegd in een brief van haar aan (onder meer) [E] van 18 juli 2006 en [geïntimeerde] ontkende dat hij die brief had ontvangen en dat de daarin vastgelegde afspraak met hem is gemaakt, NAM haar desbetreffende stelling diende te bewijzen. Nadat getuigen zijn gehoord, heeft de rechtbank in het eindvonnis overwogen dat NAM niet in het haar opgedragen bewijs was geslaagd, de vordering van [geïntimeerde] in conventie toegewezen, de vordering van NAM in reconventie afgewezen en NAM veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie. Tegen de beslissingen in het tussenvonnis en het eindvonnis en de daaraan ten grondslag liggende motivering richten zich de grieven van NAM. 3.5 Grief 1 betreft het procesverloop in eerste aanleg. NAM stelt dat de rechtbank de onderhavige zaak ten onrechte heeft geselecteerd voor een zogenoemde GOO-comparitie (Gericht op Oplossingen). Hoewel partijen bij die behandeling maar uitermate kort de tijd kregen hun standpunten toe te lichten en bij de behandeling de nadruk lag op het vinden van een oplossing, heeft de rechtbank - toen die oplossing niet werd bereikt - de mondelinge behandeling als (gewone) comparitie aangemerkt en NAM aldus onvoldoende de gelegenheid gegeven haar standpunt uiteen te zetten en toe te lichten. Bij het tussenvonnis is de rechtbank vervolgens van onjuiste aannames uitgegaan, hetgeen volgens NAM niet het geval zou zijn geweest als er een “volwaardige” comparitie van partijen zou hebben plaatsgevonden. Door deze gang van zaken zijn het rechtsbelang en de rechtsmogelijkheden van NAM geschaad. 3.6 Deze grief kan niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden. Niet alleen verbindt NAM aan haar grief in de appeldagvaarding geen consequentie (in die zin dat zij aanvoert dat het door haar gestelde verzuim van de rechtbank op zichzelf al tot vernietiging van de bestreden vonnissen zou moeten leiden), maar ook indien de stelling van NAM dat zij bij de GOO-comparitie niet voldoende in de gelegenheid is geweest haar standpunt uiteen te zetten en toe te lichten en zij bij een “gewone” comparitie haar standpunt uitvoeriger uiteen had kunnen zetten juist is, heeft zij bij haar grief geen belang. NAM heeft in haar appeldagvaarding en ter gelegenheid van de comparitie in appel immers (alsnog) de gelegenheid gehad haar standpunt uitvoerig uiteen te zetten. 3.7 NAM heeft in eerste aanleg tegen de vordering van [geïntimeerde] verweer gevoerd met een beroep op een brief die zij op 18 juli 2006 aan [geïntimeerde] (en de andere schuldeisers van de Aangepaste Schuldbekentenis) zou hebben gestuurd. In die brief deelt NAM mede dat het voor haar moeilijk blijft om aan haar renteverplichtingen te voldoen “gelet op de nog steeds ongezonde financiële situatie” en dat NAM “tot de volgende overeenkomst wil komen”, waarna uiteengezet wordt dat NAM jaarlijks van 2008 tot en met 2015 € 1.225,-- zal betalen en in 2016 nog € 590,51 ter zake van rente en aflossing, waarna haar schuld zal zijn afgelost. De brief besluit met de zin: ”Als er geen schriftelijke afwijzing komt van deze brief ga ik ervan uit dat iedereen ermee instemt.” NAM heeft aangevoerd dat de brief destijds aangetekend aan [geïntimeerde] is gezonden, dat die brief in dezelfde tijd dat die is verzonden in het bijzijn van [geïntimeerde] is besproken op de verjaardag van een van de zusters van [geïntimeerde] , dat hij toen en ook later niet tegen de brief heeft geprotesteerd en dat zijn instemming met het voorstel niet alleen daaruit kan worden afgeleid maar ook uit het feit dat [geïntimeerde] er niet tegen heeft geprotesteerd dat NAM bij de jaarlijkse betalingen vermeldde “rente en aflossing”, hetgeen toch van hem verwacht had mogen worden als hij, zoals hij stelt, alleen betaling van rente verwachtte zoals vóór 2006 het geval was geweest. [geïntimeerde] heeft de ontvangst van die brief uitdrukkelijk betwist en heeft eveneens ontkend dat de brief tijdens een familiebijeenkomst in zijn bijzijn is besproken. Hij heeft, zo voerde hij aan, voor het eerst kennis genomen van de brief nadat hij in 2014 het saldo van de lening en de achterstallige rente had opgeëist. 3.8 De rechtbank heeft NAM in het tussenvonnis toegelaten te bewijzen dat zij aan [geïntimeerde] het hiervoor genoemde voorstel tot wijziging van de overeenkomst heeft gedaan en dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd. Grief 6 strekt ten betoge dat de rechtbank NAM ten onrechte met die bewijsopdracht heeft belast. Volgens NAM had de rechtbank op grond van haar onderbouwde stellingen en het niet onderbouwde verweer van [geïntimeerde] tot het oordeel moeten komen dat vast was komen te staan dat de Overeenkomst van Geldlening in 2006 tot stand is gekomen en is zij ten onrechte met de onderhavige bewijsopdracht belast. 3.9 Het hof volgt NAM niet in dit betoog. Anders dan NAM stelt had zij niet aannemelijk gemaakt dat zij de in kopie in het geding gebrachte brief van 18 juli 2006 aan [geïntimeerde] heeft verzonden en dat deze hem heeft bereikt. De in het geding gebrachte kopie-brief vermeldt weliswaar het in die tijd door [geïntimeerde] gehanteerde zakelijk adres, maar die vermelding betekent op zichzelf niet dat de brief ook naar dat adres is verstuurd, laat staan dat daaruit kan worden afgeleid dat deze op het in de brief vermelde adres is aangekomen. Ook uit hetgeen [geïntimeerde] tijdens de in eerste aanleg op 15 juni 2016 gehouden comparitie van partijen heeft verklaard blijkt, anders dan NAM stelt, niet dat [geïntimeerde] van de inhoud van de brief op de hoogte was. Hij verklaarde weliswaar: “Op de verjaardag van mijn jongste zus […] heb ik geïnformeerd naar de aflossing van de lening.” en “Mijn zussen waren niet akkoord met de inhoud van de brief van 18 juli 2006” maar daaruit kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] destijds - op die verjaardag - de inhoud van de desbetreffende brief kende. Hij heeft slechts verklaard dat hij van zijn zussen begreep dat zij een brief hadden gekregen en het niet eens waren met de inhoud daarvan. Dat is, anders dan NAM suggereert, niet vreemd nu hij tevens verklaarde: “Tijdens eerdergenoemde verjaardag kwam ik achter de brief van 18 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.