afdeling strafrecht parketnummer: 23-001069-18 datum uitspraak: 28 februari 2019 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-710156-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 07 juni 2016 te Uitgeest, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid, (de 16-jarige) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande die ontuchtige handeling(en) uit - het slaan van een arm om die [slachtoffer] en/of (vervolgens) wrijven over dan wel het betasten van het (boven)been en/of de bil(len) en/of het haar en/of een arm van die [slachtoffer] en/of - het proberen te zoenen van die [slachtoffer], en bestaande die feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, op de grond dicht naast die [slachtoffer] is gaan zitten en/of (vervolgens) onverhoeds een arm om die [slachtoffer] heeft geslagen en/of die [slachtoffer] naar zich toe heeft getrokken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 juni 2016 te Uitgeest door een feitelijkheid de 16-jarige [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande die ontuchtige handelingen uit - het slaan van een arm om die [slachtoffer] en vervolgens wrijven over het bovenbeen en de billen en het haar en een arm van die [slachtoffer] en - het proberen te zoenen van die [slachtoffer], en bestaande die feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, op de grond dicht naast die [slachtoffer] is gaan zitten en vervolgens een arm om die [slachtoffer] heeft geslagen en die [slachtoffer] naar zich toe heeft getrokken. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Nadere bewijsoverwegingen De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat de verdachte wel naast de aangeefster [slachtoffer] is gaan zitten en een arm om haar heen heeft geslagen, maar hij daar geen seksuele bedoelingen mee had. Die handelingen zijn dan ook niet als ontuchtig aan te merken. Voor de andere tenlastegelegde gedragingen is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman. Naar het oordeel van het hof is de aangifte van de aangeefster gedetailleerd en consistent. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid daarvan. Voorts wordt deze aangifte op wezenlijke onderdelen ondersteund door de verklaring van [naam 1]. Daarnaast heeft [naam 2] verklaard dat hij, door de houding van de verdachte, vermoedde dat de verdachte de vriend van het slachtoffer was. Het hof acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feitelijke gedragingen heeft gepleegd, die bewezen zijn verklaard. Het gaat hier evident, reeds beginnend met het slaan van een arm om de aangeefster, om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met sociaal-ethische normen. Het hof neemt hierbij in aanmerking het leeftijdsverschil van ongeveer 25 jaar tussen de verdachte en de – minderjarige – aangeefster, alsmede het feit dat zij voor de verdachte een onbekende was, die hij toevallig tegenkwam op een treinstation. Daar komt bij dat de verdachte haar heeft gevraagd of zij met hem mee wilde gaan en toen zij zei dat ze dit niet wilde, omdat zij op weg was naar een intakegesprek voor haar vervolgopleiding, bleef zeggen: “Nee, je gaat gewoon met mij mee” en telkens zei dat zij zo’n mooi meisje was. Anders dan de rechtbank en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat ook het proberen te zoenen van de aangeefster als ontuchtig handelen valt aan te merken. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte haar schouder pakte en die schouder naar zich toe draaide. De aangeefster zag dat hij zijn ogen daarbij gesloten had en dat zijn gezicht zich op korte afstand van haar gezicht bevond. Het kan niet anders dan dat dit voor de aangeefster een seksueel intimiderende en bedreigende situatie is geweest. Verder wordt in aanmerking genomen dat deze gedraging deel uitmaakte van het hiervoor omschreven samenstel van gedragingen van de verdachte en direct volgde op het wrijven over de billen van de aangeefster. De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 29 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechtbank opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op een treinstation schuldig gemaakt aan aanranding van een meisje van 16 jaren oud. Hij heeft dit hem volstrekt onbekend meisje betast op de benen en de billen en heeft haar vervolgens getracht te zoenen. Door zijn handelen heeft de verdachte zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en een ontoelaatbare inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Het incident heeft grote indruk op haar gemaakt; zo durft zij van de trein niet langer gebruik te maken. Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.