GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 18/00325 25 februari 2020 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X B.V.] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: G. Gieben (Previcus Vastgoed) tegen de uitspraak van 25 april 2018 in de zaak met kenmerk HAA 17/852 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) met dagtekening 29 februari 2016 de waarde van de onroerende zaak [B-straat] [1] te [plaats] (hierna: het kinderdagverblijf) voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op € 352.000. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 22 december 2016, de waarde van het kinderdagverblijf gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep in haar uitspraak van 25 april 2018 ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 juni 2018. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De heffingsambtenaar heeft op 10 december 2018 en 6 december 2019 nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. Namens belanghebbende is verschenen A. van den Dool (kantoorgenoot van de gemachtigde). De heffingsambtenaar is, met berichtgeving daarvan, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld. “1. Eiseres exploiteert een kinderdagverblijf in de onroerende zaak [B-straat] [1] te [plaats] (hierna: het kinderdagverblijf). 2. Blijkens een door verweerder ingebrachte taxatiekaart is de waarde van het kinderdagverblijf bepaald conform de gecorrigeerde vervangingswaarde op € 352.313. Daarbij is uitgegaan van de volgende aan de deelobjecten toegekende waarden: - opstal: 420 m²: € 201.247 - extra grond: 424 m²: € 13.852 - grond bij niet-woning 840 m²: € 137.214. 3. Tot de stukken behoort een geschrift met de titel “Factsheet Kinderopvang 2016” en een geschrift met de titel “Functionele correctie vanwege marktomstandigheden branche”. In dit laatste geschrift is onder meer het volgende geschreven: “(…) de marktomstandigheden zijn niet verslechterd en de outlook is verbeterd. Ook de financiële situatie van de branche is vooruitgegaan. (…). Behalve de liquiditeit laten de deelnemende kinderopvangorganisaties qua kengetallen overall een verbetering zien en De uitkomsten laten in 2015 ten opzichte van 2014 een verbeterde financierbaarheid van de deelnemersgroep zien (…). Gezien deze omstandigheden rond de toestandsdatum 1-1-2016 en de positieve tendens in de branche is een economische correctie niet van toepassing”.” 2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil de waarde van het kinderdagverblijf op de waardepeildatum 1 januari 2015. Het geschil is beperkt tot de vraag of bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van het kinderdagverblijf, een correctiefactor wegens functionele veroudering dient te worden toegepast, zoals belanghebbende stelt, doch de heffingsambtenaar betwist. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft omtrent het geschil, voor zover in hoger beroep relevant, als volgt overwogen en beslist: “7. Volgens artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan die zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Volgens artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van deze vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: a. de aard en de bestemming van de zaak; b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 8. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de waarde van het kinderdagverblijf kan worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ. Immers, evenmin is in geschil dat het kinderdagverblijf moet worden aangemerkt als courante niet-woning zodat deze waarde in beginsel niet afwijkt van de waarde in het economische verkeer en (vgl. Hoge Raad 31 mei 1995, nr. 29224, ECLI:NL:HR:1995:AA1634). De rechtbank overweegt hierbij dat in dit verband dient te worden uitgegaan van de waarde die het kinderdagverblijf voor de eigenaar heeft. 9. Verweerder heeft de waarde berekend aan de hand van landelijke kengetallen zoals opgenomen in de Taxatiewijzer Onderwijs. Eiseres heeft de bruikbaarheid van deze taxatiewijzer en de wijze van gebruik door verweerder op zichzelf niet weersproken. De rechtbank ziet ook geen reden om aan de bruikbaarheid en wijze van gebruik te twijfelen. Nu eiseres een correctie voor functionele veroudering op de aan de hand van deze taxatiewijzer bepaalde waarde bepleit, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat zij daartoe de feiten stelt en bij betwisting aannemelijk maakt. Pas als zij daarin slaagt, komt de vraag aan de orde of verweerder in voldoende mate met economische veroudering rekening heeft gehouden (vgl. Hoge Raad 10 juli 2015, nr. 14/05142, ECLI:NL:HR:2015:1818). 10. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiseres dat een bezettingsgraad van 64,7% moet leiden tot een correctie in verband met functionele veroudering. Eiseres stelt dat sprake is van onderbezetting indien minder kinderen worden opgevangen dan het aantal kinderen dat volgens de normen van de GGD in een locatie mag worden opgevangen. 11. Verweerder heeft het door eiseres gestelde gemotiveerd betwist en gewezen op de gunstige ontwikkelingen op de markt voor kinderopvang en op de gemiddelde landelijke bezettingsgraad van kinderdagverblijven van 31,4%. Eiseres heeft dit niet weersproken. In het licht daarvan had zij haar stelling dat in het onderhavige geval niettemin een bezettingsgraad van 100% tot uitgangspunt moet worden genomen, nader moeten onderbouwen. Reeds omdat vaststaat dat de marktomstandigheden gunstig zijn en de bezettingsgraad van het kinderdagverblijf hoger is dan het landelijk gemiddelde, is niet aannemelijk gemaakt dat deze bezettingsgraad noopt tot een neerwaartse correctie van de waarde in verband met economische veroudering. Dit brengt mee dat niet wordt toegekomen aan de vraag of sprake is van onderbezetting in de door eiseres bepleite zin. Uit het vorenoverwogene volgt dat de grieven van eiseres tegen de waardebepaling van de opstal geen doel treffen.” 5Beoordeling van het geschil 5.1. Tussen partijen is, ook in hoger beroep, niet in geschil dat de waarde van het kinderdagverblijf moet worden bepaald op basis van de zogenoemde ‘gecorrigeerde vervangingswaarde’. In geschil is enkel nog het antwoord op de vraag of de bezettingsgraad moet leiden tot een correctie [een lagere waarde] wegens functionele veroudering, gebaseerd op economische veroudering. 5.2. De heffingsambtenaar stelt dat er geen aanleiding is voor een correctie wegens economische veroudering omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.