afdeling strafrecht parketnummer: 23-000485-19 datum uitspraak: 24 maart 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-009820-18 en 13-129409-18 en 13-172073-18 en 13-177779-18 tegen [verdachte] , geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboorteplaats] 1994, thans uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de verdachte geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen, nu de rechtbank afgelopen december in een andere zaak de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank heeft aan de verdachte opgelegd de maatregel om de verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. De raadsman heeft betoogd dat in het geval de verdachte na afloop van die maatregel terug de gevangenis in moet, hij niet de zorg krijgt die hij nodig heeft. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof door een ketting van de nek van het slachtoffer te trekken. De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin zonder erbij stil te staan dat slachtoffers van delicten als deze nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Het slachtoffer heeft geruime tijd last gehad van gevoelens van angst, achterdocht en verdriet om het verlies van de voor het slachtoffer zeer dierbare ketting. Daar komt bij dat dit soort delicten zorgen voor gevoelens van onveiligheid bij de maatschappij. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen en aan bedreiging van een zorgverlener. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte op 18 december 2019 door de rechtbank ontslagen is van alle rechtsvervolging waarbij hem de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is opgelegd. Hoewel het hof niet de beschikking heeft over rapportages die zien op de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van onderhavige feiten, heeft de rechtbank klaarblijkelijk afgelopen december geoordeeld dat de verdachte intramurale psychiatrische zorg behoeft. Het hof acht het bij die stand van zaken onwenselijk om dat zorgtraject van de verdachte te doorkruisen door hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De ernst van de feiten verzet zich echter tegen een schuldigverklaring zonder strafoplegging. Het hof zal de verdachte daarom een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen in de hoop dat deze ertoe bijdraagt verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te begaan. Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 285, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.270,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.