GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 19/00279 30 april 2020 uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: J.A. Klaver), tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 18/3096 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 27 januari 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.515. Gelijktijdig met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een verzuimboete van € 369 opgelegd (hierna: de Verzuimboete). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 juni 2018, heeft de inspecteur de aanslag en de Verzuimboete gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 13 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 maart 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Beide partijen hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten. 2Feiten De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “Feiten 1. Per brief met dagtekening 28 februari 2016 is eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2015. Eiser is verzocht vóór 1 mei 2016 aangifte te doen. 2. Per brief met dagtekening 14 juni 2016 is aan eiser een herinnering tot het doen van aangifte IB/PVV 2015 gestuurd en is eiser erop gewezen dat de aangifte uiterlijk op 28 juni 2016 bij verweerder binnen moet zijn. 3. Per brief met dagtekening 29 juli 2016 is eiser aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2015 en is eiser erop gewezen dat de aangifte uiterlijk op 12 augustus 2016 bij verweerder binnen moet zijn. Verder is eiser erop gewezen dat als de aangifte niet op tijd wordt ontvangen, hij een boete kan krijgen en dat die boete minimaal € 369 is en kan oplopen tot € 5.278. Eiser heeft geen aangifte gedaan. 4. Op 30 augustus 2016 heeft eiser een brief aan verweerder gestuurd waarin is vermeld dat hij van 1 november 2015 tot en met 25 augustus 2016 in [het buitenland] was en daarom niet in de gelegenheid was tijdig aangifte te doen. Eiser verzoekt in de brief om uitstel tot het doen van aangifte. 5. Verweerder heeft het verzoek om uitstel op 27 september 2015 afgewezen omdat eiser al een aanmaning voor het doen van aangifte heeft ontvangen. 6. Op 17 oktober 2016 heeft eiser via een aangifteformulier alsnog gegevens verstrekt. In de verstrekte gegevens is een verzamelinkomen vermeld van € 13.515. 7. Met dagtekening 9 december 2016 is aan eiser een voorlopige aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, overeenkomstig de gegevens uit het aangifteformulier. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente ten bedrage van € 26 in rekening gebracht. Het te betalen bedrag op de voorlopige aanslag is € 1.213. 8. Met dagtekening 27 januari 2017 is aan eiser de onderhavige aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Ook deze aanslag is overeenkomstig de gegevens uit het aangifteformulier opgelegd. Gelijktijdig met de aanslag is de verzuimboete aan eiser opgelegd. Het te betalen bedrag op de aanslag is € 369. 9. Namens eiser heeft zijn gemachtigde hiertegen op 6 maart 2017 bezwaar gemaakt. Het bezwaar richt zich tegen de verzuimboete. 10. Op 16 april 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. 11. Op 11 juni 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. 12. Hiertegen is eiser op 13 juli 2018 (ontvangen door de rechtbank op 16 juli 2018) in beroep gekomen.” Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is evenals in eerste aanleg in geschil of de inspecteur terecht en voor het juiste bedrag aan belanghebbende de Verzuimboete heeft opgelegd. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen: “Beoordeling van het geschil 17. Verweerder heeft de verzuimboete op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgelegd. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de inspecteur een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 (tekst 2015) kan opleggen indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de AWR gestelde termijn heeft gedaan. Dit vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag een boete kan opleggen. 18. Eiser is voor het jaar 2015 uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. In de aanmaning is eiser een uiterste termijn gegeven voor het doen van aangifte. Desondanks heeft eiser zijn aangifte niet (tijdig) ingediend. In beginsel is dan aan de voorwaarden van artikel 67a, eerste lid, van de AWR voldaan om een verzuimboete op te leggen. Dat eiser na de uiterste termijn alsnog via een aangifteformulier gegevens heeft verstrekt doet hieraan niet af. 19. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld dient oplegging van een boete achterwege te blijven. De rechtbank vat het beroep van eiser op als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Hiervoor is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend. Niet is vast komen te staan dat zulks het geval is geweest. Eiser stelt dat hij van 1 november 2015 tot en met 25 augustus 2016 in het buitenland ( [...] ) verbleef en daarom niet tijdig aangifte heeft kunnen doen. Daarnaast stelt eiser dat hij van de sociale dienst geen jaaropgave van 2015 heeft ontvangen en zodoende ook geen aangifte heeft kunnen doen. De rechtbank acht dit onvoldoende voor een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals door verweerder gesteld en door eiser niet weersproken, de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte naar het woonadres van eiser zijn gestuurd. Nu eiser bijna tien maanden in het buitenland verbleef, had het op zijn weg gelegen om maatregelen te treffen voor de behandeling van zijn post. Ook uit de stelling van eiser dat hij de jaaropgave van 2015 van de sociale dienst niet heeft ontvangen, volgt niet dat eiser alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend. 20. De rechtbank acht de verzuimboete daarnaast passend en geboden. Verweerder heeft bij het opleggen van de verzuimboete uitvoering gegeven aan paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst en de verzuimboete vastgesteld op 7% van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR (zijnde 7% van € 5.278 = (naar beneden afgerond) € 369). Dat de financiële omstandigheden van eiser, zoals door zijn gemachtigde in het beroepschrift en ter zitting aangevoerd, aanleiding geven om de verzuimboete te verlagen is onvoldoende met (bewijs)stukken onderbouwd. 21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de duur van de procedure bestaat geen aanleiding nu de procedure in de bezwaar- en beroepsfase binnen twee jaar is afgerond. Proceskosten 22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” 5Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Vaststaat dat belanghebbende de aangifte IB/PVV 2015 niet tijdig heeft gedaan. 5.2. In hoger beroep herhaalt belanghebbendes gemachtigde in grote lijnen hetgeen hij in zijn beroepschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd. Hij betoogt dat er sprake was van ‘lichte verwijtbaarheid’ met betrekking tot het niet tijdig doen van aangifte. Daarnaast meent hij dat in hoger beroep de hoogte van de Verzuimboete buitenproportioneel is en dat er sprake is van verzachtende omstandigheden op grond waarvan de Verzuimboete dient te worden gematigd. Als verzachtende omstandigheden noemt gemachtigde (onder meer): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.